Twentse textielfamilies

Uit B&G Wiki

Amateurfilms Twentse Textielfamilies

Textiel in Twente

De textielindustrie in Nederland was eeuwenlang een vorm van huisnijverheid. Wanneer men op het land weinig om handen had, klom men thuis achter het spinnewiel of weefgetouw. Aanvankelijk werd garen gesponnen uit wol en vlas, maar vanaf de achttiende eeuw werd ook steeds meer katoen gebruikt. Dit was niet alleen voor eigen gebruik, maar werd ook verhandeld met kooplieden die de boeren voorzagen van de grondstoffen of garens. De fabrikeurs lieten de textiel vervolgens in eigen beheer bleken en verven. De werkplaatsen of kleine fabriekjes stonden onder leiding van een baas, terwijl de fabrikeurs stad en land afreisden om hun textiel aan de man te brengen. In sommige Nederlandse plaatsen vond een betrekkelijk groot deel van de inwoners werk binnen die traditionele textielindustrie. Voor Twente was het jaar 1728 van belang; toen wist een aantal Enschedese kooplieden het octrooi te verkrijgen voor de vervaardiging van bombazijn, een halffabrikaat vervaardigd uit linnen en katoen dat zich uitstekend leende voor werk- en onderkleding. Bombazijn werd voortaan in Enschede gefabriceerd, maar ook in andere Twentse plaatsen bleef men volop werkzaam binnen de textiel. Eerder ontstonden ook buiten Twente textielcentra, zoals in Leiden (lakenhandel) en Tilburg (wolindustrie).

Lang hield men in Nederland vast aan de traditionele huisnijverheid, waarbij de boeren een grote mate van zelfstandigheid behielden. Men maakte zeer lange werkdagen, maar men kon wel zelf de dag in delen. Daaraan kwam in de loop van de negentiende eeuw door technologische innovaties een einde. Men mag stellen dat de behoudende Twentenaren van buitenaf werden aangespoord om met de nieuwe vaart der volken op te stoten. Na de Belgische Opstand (1830) zocht de machtige Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) een nieuw textielcentrum in Noord-Nederland. Vanwege de lage lonen, de bekendheid met het spinnen en weven en de afstand ten opzichte van het afgescheiden België werd Twente uitverkoren om voortaan de 'katoentjes' voor Nederlands-Indië te fabriceren. De Engelse textieltechnicus Thomas Ainsworth werd naar Twente gezonden om daar de bevolking te bekwamen met de snelspoel, een meer geavanceerde weefmethode. In 1833 werd de eerste weefschool in Goor gesticht. Tegelijkertijd kwam Twente langzaam maar zeker letterlijk 'op stoom'. In resp. 1830 en 1833 werden in Almelo en Enschede de eerste stoomspinnerijen gebouwd. Sinds halverwege de negentiende eeuw werden ook de weverijen, blekerijen en anderen fabrieken in een razend tempo van stoomkracht voorzien. De schoorstenen sproten in Twente uit de grond en brachten de streek veel werk en welvaart; 'het nijvere Twente' werd vanuit politiek Den Haag als lichtend voorbeeld gesteld voor andere regio's in Nederland.

De industriële revolutie bracht voor de arbeiders een steeds grotere mate van afhankelijkheid van de fabriek met zich mee; de werktijden werden voortaan bepaald door de stoomfluit. En hoewel de niet onaantrekkelijke fabriekslonen mensen van heinde en verre naar de Twentse fabrieken lokten, waren die lonen wel onderhevig aan schommelingen door bijvoorbeeld concurrentiestrijd en leveringsproblemen van kolen en katoen. De kloof tussen fabrikant en arbeider werd groter en leidde sinds het eind van de negentiende eeuw tot een verscherpte onderlinge verhouding. Tegelijkertijd faciliteerden veel fabrikanten zieken- en pensioenfondsen, fabrieksscholen, woningbouw, verenigingen en tal van wandelparken.


De textielfamilies

In vroege tijden werd de Twentse textielhandel in belangrijke mate bepaald door een aantal invloedrijke doopsgezinde families in onder meer Borne, Almelo en Enschede. Zoals gebruikelijk trouwde men indertijd binnen de eigen geloofsgemeenschap en speelde de vermogenspositie bij huwelijken een belangrijke rol. Daardoor ontstonden hechte familiebolwerken die de textielhandel in handen kregen. Naar verluid zou het introuwen ook hebben geleid tot een uitdunning van het aantal doopsgezinde fabrikeursgeslachten. Sinds eind achttiende eeuw trouwden doopsgezinden vaker met hervormde textielfamilies. De kinderen uit deze interkerkelijke huwelijken werden verschillend opgevoed; zo werden de zonen in vaders leer opgevoed en de dochters in moeders leer. Vanzelfsprekend was de opnamen van de kinderen in clubs en kransjes. Dat men graag binnen eigen kring verkeerde, blijkt ook uit de vele onderlinge huwelijken: textiel trouwde textiel, generaties lang.

Fabrikantenzonen waren doorgaans verzekerd van een firmantenpost in het familiebedrijf en in het geval er teveel zonen waren (of onenigheid), dan werd een nieuwe fabriek gesticht. Ook werd het geluk beproefd door een aantal ambitieuze ondernemers uit het westen van het land. Zo groeide Twente uit tot het tweede textielcentrum ter wereld. Op het hoogtepunt van de textielindustrie, begin twintigste eeuw, was de Twentse textielindustrie goed voor ruim 20% van het Bruto Nationaal Product. Lancashire, het grootste textielcentrum ter wereld, was voor de meeste fabrikanten bekend terrein; standaard werd men na het voltooien van een textielopleiding enige tijd volontair in Lancashire of Duitsland. Mocht een fabrikantenzoon niet de fabriek in willen, dan lag een loopbaan bij De Twentsche Bank voor de hand. Belangstelling voor andere zaken, zoals geschiedenis, hield men meestal als hobby. Wel waren veel fabrikanten ook actief op politiek gebied.

Invloed op het Twentse landschap

Doordat de families dichtbij elkaar woonden, was het onderlinge contact hecht. Visites werden niet alleen afgelegd in de stad, maar ook op het platteland. Reeds in de achttiende eeuw bleken veel textielfamilies graag te verpozen op boerenerven die zij lieten uitbreiden met een herenkamer of koepel. Door de verdeling van markegronden in de negentiende eeuw wisten de fabrikanten veel grond te vergaren. De woeste heidegronden werden door hen ontgonnen, waardoor het landschap van Twente geheel veranderde. De Nederlandsche Heidemaatschappij en Overijssels Landschap speelden daarbij een belangrijke rol. Ook werden de verworven gronden gebruikt voor de jacht, een liefhebberij van menig fabrikant.

Op de oude erven en nieuw ontgonnen gronden werden in de loop der negentiende eeuw comfortabele buitenhuizen gebouwd, zodat men daar langere perioden kon doorbrengen. Wel werden de huizen in de stad tot begin twintigste eeuw vaak aangehouden. De komst van de auto bracht daarin verandering; niet langer hoefde men dichtbij de fabriek te wonen. Zodoende ontstonden tussen 1900 en 1940 tal van nieuwe landgoederen die nog steeds bijdragen aan het aantrekkelijke Twentse coulisselandschap.

Ook de aanleg van de spoorlijnen was voor de fabrikanten van groot belang; de stoomfabrieken waren immers afhankelijk van de kolenaanvoer uit Duitsland. Verschillende spoortrajecten zijn inmiddels gesloten en de oude stationsgebouwen hebben een nieuwe functie gekregen. Ook dat herinnert aan de Twentse textielindustrie.

De ondergang van de Twentse textiel

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de Twentse textielindustrie in zwaar weer terecht. Steeds minder Nederlanders waren genegen het eentonige fabriekswerk uit te voeren, waardoor het voor de fabrikanten lastiger werd personeel te vinden. Daarnaast kwam met de onafhankelijkheid van Indonesië een aanzienlijk afzetgebied te vervallen. Nog het meest werd de industrietak geraakt door de combinatie van stijgende lonen in Nederland en opkomende concurrentie uit Aziatische lagelonenlanden. Met fusies hoopte men de geduchte onderlinge concurrentie te beteugelen, maar dat bleek in de meeste gevallen onbegonnen werk. In de jaren '60 en '70 sloten de meeste textielfabrieken in Twente haar deuren. Slechts enkele, vaak gespecialiseerde textielbedrijven wisten de uitdagingen het hoofd te bieden. Tegenwoordig ligt het grootste textielcentrum ter wereld in Zuidoost-Azië.

De ondergang van de Twentse textielindustrie bracht een grote werkloosheid teweeg. Ook de fabrikantenzonen konden niet langer rekenen op een directiezetel, waardoor de meeste jonge fabrikantenkinderen een werkkring zochten buiten Twente. Hoewel veel familieleden zich nog wel verbonden voelen met de regio, spelen hun levens steeds meer buiten die regio af. Het hechte familiebolwerk brokkelt daardoor steeds meer af. Gelukkig is het leven van de Twentse textielfamilies goed vastgelegd in woord en beeld.

Collectie amateurfilms Twentse textielfamilies

De bedrijfsarchieven zijn ondergebracht bij Collectie Overijssel in Zwolle en bij andere lokale overheidsinstellingen, zoals Erfgoed Enschede. Veel familiearchieven zijn ondergebracht bij het Archief Twentse Textielfamilies in Enschede. Briefwisselingen, foto's, reisverslagen en wat niet meer zij geven nog een kleurrijk beeld van het fabrikantenleven van weleer. Ook werd er sinds eind jaren '20 door de families gefilmd, wat niet alleen een uniek inkijkje geeft in het persoonlijk leven van de fabrikantenfamilies, maar ook culturele en maatschappelijke hoogtepunten heeft vastgelegd. Voor de oude familiefilms is een andere bestemming gezocht en gevonden bij het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. Hier worden de films op de best mogelijke wijze gedigitaliseerd en bewaard voor het nageslacht. Sinds 2022 bestaat een constructieve samenwerking tussen het Archief Twentse Textielfamilies en het Instituut voor Beeld & Geluid bestaat.

Op dit moment bestaat de collectie uit amateurfilms afkomstig van de volgende families: - Jannink (Goor en Enschede) - Jordaan (Haaksbergen en Rijssen)


Filmcollectie amateurfilms familie Jordaan

Op 21 februari 2022 werden door de heer J.H. Jordaan 32 oude familiefilms geschonken. De 16mm-films werden gemaakt door zijn grootvader J.G.H. Jordaan (1888-1951) en vader Herman Jordaan (1916-1974), resp. directeur D. Jordaan & Zonen's Textielfabrieken N.V. en Koninklijke Jutefabrieken Ter Horst & Co N.V.

Achtergrond familie Jordaan

De textielgeschiedenis van de familie Jordaan vangt aan met Jan Jordaan (1740-1810). Zijn vader was als Hessisch kwartiermeester in Nederland terechtgekomen en vestigde zich in Haaksbergen, de geboorteplaats van zijn echtgenote. Jan Jordaan werd op jonge leeftijd wees, waarna hij werd opgevoed door zijn ooms Leferink die werkzaam waren als fabrikeurs in linnen. De relatie met zijn ooms ontwrichtte, waarna Jan Jordaan zelfstandig als fabrikeur verder ging. Hij huwde met Anna Geertruy ter Horst (1736-1813), wiens vader ook eigenaar was van een handweverij en -spinnerij in Haaksbergen. Jan Jordaan was tevens directeur van de markebleek te Hones en stichtte als diaken een handweverij en -spinnerij voor de armen. Daarnaast was hij tot de omwenteling van 1795 verwalter-richter en secretaris van Haaksbergen. De bakermat van de familie Jordaan was het in 1772 door hem gekochte huis genaamd Het Witte Paard, gelegen aan de markt van Haaksbergen.

In Haaksbergen werd de textielhandel en winkel voortgezet door diens jongste zoon Derk Jordaan (1781-1876). Hij groeide omstreeks 1850, met 50 thuiswevers in vaste dienst, uit tot de grootste werkgever van het dorp. Daarnaast stichtte hij een steenbakkerij en kalkbranderij. De oude markebleek werd in de negentiende eeuw geheel eigendom van de familie Jordaan. Op aanraden van Derk's oudste zoon Jan Jordaan (1816-1883, directeur van de Enschedesche Katoenspinnerij) werd in 1858 in de blekerij een eerste stoomketeltje geplaatst. Drie jaren later, in 1861, werd een nieuwe stoomweverij gebouwd, waarna de inmiddels 80-jarige Derk Jordaan het stokje overdroeg op drie van zijn zonen. Uitbreidingen volgden elkaar vlug op, zodat de firma D. Jordaan & Zonen in de hoogtijdagen meer dan 1000 werknemers telde. Bij het 175-jarig bestaan in 1956 kreeg het bedrijf het predikaat 'Koninklijk'. In 1960 fuseerde D. Jordaan & Zonen's Koninklijke Textielfabrieken N.V. met de textielfirma Ter Weeme uit Neede. In 1962 ging het bedrijf Koninklijke Textielfabrieken Jordaan-ter Weeme op in de Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU). In 1973 viel het doek voor de KNTU, terwijl het bedrijf in Haaksbergen reeds in 1970 haar deuren moest sluiten. De firma was vooral bekend vanwege haar degelijke collectie huishoudtextiel, waarvan de merknaam Jorzolino ('met het kroontje') tot op heden nog wordt gevoerd.

J.G.H. 'Gerhard' Jordaan (1888-1951), filmer

J.G.H. 'Gerhard' Jordaan (1888-1951) stond sinds 1918 met zijn vader aan het hoofd van de firma D. Jordaan & Zonen. Later, in resp. 1925 en 1926, traden ook zijn jongere broers J.G. 'Jan' (1896-1964) en H.W. 'Henny' Jordaan (1899-1995) in de firma. In 1926, na het overlijden van hun vader, werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap.

Gerhard Jordaan trouwde in 1912 met G.B. 'Diens' Stroink (1891-1939), een fabrikantendochter uit Enschede. Zij bewoonden aanvankelijk het oude stamhuis Het Witte Paard aan de markt te Haaksbergen. Nadat omstreeks 1910 de oude stoomblekerij door de familie werd stilgelegd, werd een deel van de voormalige fabriek door Gerhard Jordaan omgebouwd tot landhuis 'De Bleeck'. Dit werd het ouderlijk huis voor hun vijf kinderen, te weten D. 'Dick' (1913-1989), Herman (1916-1974), H.J. 'Han' (1918-1945), G.A. 'Gerta' (1922-2011) en Joost H. Jordaan (1926-1980). Een belangrijk onderdeel van hun jeugd was de padvinderij, waarvan Diens Jordaan-Stroink jarenlang voorzitter was. Na haar overlijden werd zij door haar echtgenoot Gerhard opgevolgd als voorzitter van de Haaksbergse afdeling van het Nederlandse Padvindersgilde. Daarnaast was hij beschermheer van de Haaksbergse Harmonie, president-kerkvoogd der Nederlands-Hervormde Kerk, liberaal gemeenteraadslid, bestuurslid van o.a. de Oudheidkamer Twente en voorzitter van verschillende commissies, waaronder de Commissie tot Viering van School- en Volksfeesten te Haaksbergen. Hij stond met beide benen in de gemeenschap. Ook de jacht was voor hem een liefhebberij.

De Tweede Wereldoorlog was voor Gerhard Jordaan een moeilijke periode. Als oudste directeur moest hij het familiebedrijf op de been zien te houden en kreeg hij te maken met de April-meistaking in 1943 waarbij acht werknemers van zijn fabriek het leven lieten. Het waren ook jaren waarin verschillende huizen van familieleden werden gevorderd, waaronder de woonhuizen van zijn moeder en jongere broer Jan; zij werden door Gerhard liefdevol opgevangen op De Bleeck. Toen in 1943 ook het huis van jongste broer Henny werd gebombardeerd was de drukte in huis compleet. Ook was er jarenlang onzekerheid over het welzijn van Gerhard's zoon H.J. 'Han' Jordaan (1918-1945). Han studeerde in Manchester en sloot zich tijdens de oorlog aan bij de Special Operations Executive. In 1942 werd hij als geheim agent gedropt boven Nederland. Door verraad werd Han door de Duitsers gearresteerd en stierf uiteindelijk in 1945 aan honger en uitputting in concentratiekamp Mauthausen. Ter herinnering aan zijn omgekomen zoon schonk Gerhard de Dievelaarsschuur in Haaksbergen aan de padvinderij.

Op De Bleeck woonde sinds de jaren '30 ook Carola von Dalwigk zu Lichtenfels (1898-1995). Zij was een dochter van een jachtvriend van Gerhard en nam de zorg op zich voor zijn echtgenote Diens, die jarenlang werd gekweld door de ziekte van Parkinson. Ook na het overlijden van Diens in 1939 bleef Carola von Dalwigk op De Bleeck wonen. Zij was als een tweede levenspartner voor Gerhard en stond aan het hoofd van de huishouding.

In 1951 overleed Gerhard Jordaan op 63-jarige leeftijd. Zijn oudste zoon Dick Jordaan (1913-1989) betrok vervolgens met zijn gezin De Bleeck en volgde Gerhard op als directeur van D. Jordaan & Zonen's Textielfabrieken N.V. Ook Carola von Dalwigk bleef op De Bleeck wonen en hield de jongste Jordaan-telgen in het gareel. Gerhards tweede zoon Herman Jordaan (1916-1974) woonde met zijn echtgenote Imke ter Horst te Rijssen, alwaar hij directeur was van de Koninklijke Jutefabrieken Ter Horst & Co.

Herman Jordaan (1916-1974), filmer

Herman Jordaan koos in eerste instantie voor een loopbaan in het bankwezen. Dit was een prima alternatief, want de familie telde twee banken zonder opvolgers, te weten Bank Jordaan N.V. in Haaksbergen en Banque Jordaan & Cie in Parijs. Herman deed werkervaring op bij de bank in Parijs, alsmede bij bankinstellingen te Berlijn, New York en Amsterdam. Hij was voorbestemd in dienst te treden bij de firma Rhodius Koenigs in Amsterdam, maar zijn verloving met Imke ter Horst (1919-1998) veranderde zijn loopbaan compleet. Door het ontbreken van manlijk nageslacht werd Herman Jordaan de opvolger van zijn schoonvader Jan Harmen ter Horst (1886-1942), directeur van de Koninklijke Textielfabrieken Ter Horst & Co. Als commissaris bleef Herman verbonden aan het familiebedrijf Jordaan-ter Weeme. Ook was hij verbonden aan JOTEM B.V. (Jordaan's Exploitatie Maatschappij), waarvan jongste broer Joost Jordaan directeur werd. Evenals zijn vader was Herman een jachtliefhebber.

Herman en Imke Jordaan-ter Horst bewoonden huize De Grimberg in Wierden en kregen vier kinderen. Hij stierf in 1974 op 58-jarige leeftijd.

Filmcollectie amateurfilms Jannink (Goor)

Op 21 februari 2022 werden door de heer H.J. ter Kuile 10 oude familiefilms geschonken. De 16mm-films werden grotendeels gemaakt door zijn grootvader H.J. 'Hens' Jannink (1881-1959), directeur N.V. Katoenfabrieken v/h Arntzenius, Jannink & Co te Goor.

Achtergrond familie Jannink in Goor

De stamvader van het geslacht Jannink vestigde zich in het laatste kwart van de zeventiende eeuw als koopman in bombazijn te Enschede en vele generaties traden in zijn voetsporen. Na het overlijden van Engbert Jannink (1752-1829) werd de firma E. Jannink & Zonen te Enschede voortgezet door drie van de vier zonen. De andere zoon, ds. Nicolaas Jannink (1813-1902), koos op jonge leeftijd voor een andere richting en werd student theologie in Leiden. Hij werd vervolgens beroepen als predikant in het nijvere Twentse stadje Goor. Een van zijn eerste taken werd het regelen van de begrafenis voor de breed geliefde Engelse textieltechnicus Thomas Ainsworth (1795-1841), die op 45-jarige leeftijd onverwachts stierf op zijn buitenplaats Eversberg. De eerbied die men voor de Engelsman koesterde blijkt uit het thans nog bestaande indrukwekkende grafmonument.

Ruim een half jaar na het overlijden van Ainsworth trouwde de jonge dominee Nicolaas Jannink met E.C. 'Cato' van Heek (1818-1899), dochter van de rijkste textielfabrikant van Enschede. Uit dit huwelijk werden twee zonen en een dochter geboren. Het ouderlijk huis voor de kinderen in Goor werd 'De Klokkenkamp', een indertijd statig herenhuis gelegen naast de kerk van Goor. Dit pand werd door de dominee in de jaren '50 van de negentiende eeuw gebouwd, doordat de pastorie niet langer voldeed aan zijn wensen. Vanwege zijn 'pauselijke invloed' op de inwoners van Goor werd zijn woonhuis ook als 'het Vaticaan' aangeduid en werd hij 'de Paus van Goor' genoemd. Zijn invloed strekte verder dan de kerk.

Ainsworth stichtte in Twente de eerste weefscholen, waarmee hij de inwoners bekwaamde met de verbeterde versie van de snelspoel. Toen de Nederlandsche Handel-Maatschappij de weefscholen besloot te sluiten, kocht de Haarlemse ondernemer Gulian Cornelis Arntzenius (1810-1861) de inventaris op en stichtte daarmee een weverij te Goor. Die weverij werd vervolgens opgekocht door dominee Nicolaas Jannink en zijn oudste neefje Engbert Jannink (1832-1901). Engbert Jannink stond aan het hoofd van de nieuwe firma Arntzenius, Jannink & Co te Goor, maar achter de schermen liet de dominee ook zijn invloed gelden. Door de kinderloze status van Engbert Jannink waren zijn neef Hermann Reerink (1863-1953) en de twee zonen van de dominee voorbestemd de fabriek voort te zetten. De firma was in Nederland vooral bekend vanwege zijn visnettenweverij, maar fabriceerde daarnaast ook veel 'katoentjes' voor Indië. De N.V. Katoenfabrieken v/h Arntzenius, Jannink & Co behoorde met de N.V. Twentsche Stoomblekerij tot de twee grootste werkgevers van Goor. In 1956 werd het bedrijf overgenomen door textielfirma J.F. Scholten & Zonen uit Enschede en in 1974 sloot de fabriek definitief haar deuren.

H.J. 'Hens' Jannink (1881-1959), filmer

In de eerste helft van de twintigste eeuw bestond de leiding der fa. Arntzenius, Jannink & Co uit onder meer drie kleinzonen van de dominee, waaronder Hens Jannink. Na het vervullen van zijn dienstplicht als huzaar, was Hens jarenlang directeur van de textielfirma Leech & Sinkinson Ltd. in Leeds. Tijdens een reis door India in 1912 vernam hij het nieuws dat zijn vader in Goor was overleden. Dit betekende een omwenteling, want hij was voorbestemd om zijn vader als firmant van het familiebedrijf op te volgen. Kort na zijn terugkeer in Nederland verloofde hij zich met G. 'Ies' ter Horst (1885-1940), een fabrikantendochter uit Rijssen. Uit dit huwelijk werden drie dochters en één zoon geboren, te weten: Thalia G. (1914-1974), Harry (1917-1973), M.G. 'Mia' (1919-1969) en J. 'Bobo' Jannink (1922-2001). Aan de Goorseweg liet het echtpaar een villa bouwen, geheten 'Scherpenzeel'. Daarnaast was de familie vaak te vinden op de Herikerberg, alwaar zij op de heide, tussen de bossen een buitenhuisje bezaten, 'de Tip'. Ook de jacht speelde een prominente rol in het leven van Hens Jannink. Daarnaast hadden de Janninks uit Goor bijzonder veel belangstelling voor motor-voertuigen. Dit begon in 1899 met de aanschaf van twee automobielen door de vader van Hens Jannink. Hens was vervolgens jarenlang commissaris van de Koninklijke Nederlandsche Automobiel Club (KNAC) en zijn broer Nicolaas Jannink (1874-1938) was jarenlang voorzitter van de Koninklijke Nederlandsche Motorrijders Vereeniging.

In het fabrieksstadje was Hens Jannink verder actief als president-kerkvoogd der Nederlands-Hervormde Kerk, beschermheer van de muziekvereniging Apollo, voorzitter van de sociëteit en Oranjevereniging, commissaris van onder meer de Nutsspaarbank en voorzitter van de Twents-Gelderse Fabrikantenvereniging. Zijn echtgenote Ies Jannink-ter Horst was actief als bestuurslid van Arbeid Adelt, de Vereniging tot Oprichting en Exploitatie van Volkssanatoria in Nederland en de afdeling Goor van het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies.

Wekelijks werden visites afgelegd tussen de families Jannink en Ter Horst. Ook werden huwelijks- en geboortejubilea immer uitgebreid gevierd waarvoor met name de kinderen de verkleedkist in doken. Vanwege het huwelijk van dochter Thalia Jannink met Dick Jordaan en de verloving van Mia Jannink met Han Jordaan ontstond ook een bijzonder hechte band tussen Goor en Haaksbergen. Door het huwelijk van nicht Imke ter Horst met Herman Jordaan was ook de link tussen Haaksbergen en Rijssen gelegd. In 1941 werd door Hens Jannink, Gerhard Jordaan, Jan Harmen ter Horst en hun vriend Franz Koenigs een fabriek in Gennep gesticht voor Han Jordaan. Doordat Han Jordaan in 1945 omkwam, werd uiteindelijk diens zwager Marius Vos aangesteld tot directeur. De stichting van de fabriek in Gennep is illustratief voor de uitbreiding van de textielindustrie en staat tegelijkertijd symbool voor het hechte en vriendschappelijke Twentse familiebolwerk van weleer.