Zelf snijden

Uit Beeld en Geluid Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Zelf platen snijden om muziek op te nemen is tegenwoordig zeer ongebruikelijk. Wij doen het wel digitaal of nog op magneetband. In 1935 zijn apparaten in de handel waarmee zelf platen snijden mogelijk wordt. Tezelfdertijd is een amateur er in geslaagd een snij-apparaat te construeren waarmee hij zelf grammofoonplaten maakt met muziek die van de radio of thuis live via een microfoon wordt afgenomen. Het apparaat bestaat uit een synchroonmotor die draait met 88 toeren per minuut en een draaiplateau aandrijft, een snijarm met de snijnaald. De naald is een saffier daar een stalen naald niet de kwaliteit geeft die gewenst is door allerlei bijgeluiden.

Het geheel is gemonteerd op een multiplex plaat van 2 centimeter dik die op rubber blokjes rust om storende trillingen zoveel mogelijk te vermijden. De druk van de snijnaald op de plaat wordt geregeld door een gewicht dat over de arm schuift tussen het draaipunt en de snijkop. Hoe dichter bij de snijkop hoe zwaarder de naald op de plaat drukt. Door te experimenteren wordt de beste druk gevonden en door een streepje op de arm kan het gewicht telkens op dezelfde plek worden geschoven. Door middel van een stelsel van tandwieltjes en stangetjes wordt de naald tijdens de opname in een spiraal naar het midden geleid. Tijdens het snijden van de groef komt materiaal vrij, de zogenaamde ‘spaan’. Deze mag niet in het mechaniek terecht komen en daarom zit aan het plateau naast de draaischijf een opwindmechaniekje dat de spaan netjes oprolt. De te snijden plaat is van glas met een opgespoten zwarte laag die na het snijden met een vloeistof wordt gehard waarna een andere vloeistof wordt opgebracht om daarmee de plaat te polijsten. Deze platen van het merk Simplex hebben een diameter van 25 centimeter en kosten f 0,75 per stuk. In een gesloten blikken door zijn ze enige maanden goed te houden. De lengte van de opname is ongeveer 5 minuten per zijde.

De positie en stand van de snijnaald zijn belangrijk om een zo klein mogelijke fouthoek te realiseren. Een probleem is nog dat geen enkele saffier dezelfde maat heeft. Een te lange saffier krast teveel, en staat te hoog op de plaat wat een te grote fouthoek tot gevolg heeft. Is de naald te kort dan kan de spaan niet goed wegkomen en hoopt zich op. Er zijn saffieren die 1 mm lang zijn en er zijn er van wel 4 mm lang. Als maatstaf wordt bepaald dat de saffier zelf 2 mm lang moet zijn en onder een hoek van 75 graden geslepen. Ook de vorm van de punt van de naald is van belang. Hij mag niet te puntig zijn noch te bot. Aan al deze vereisten moet worden voldaan wil een acceptabele opname gemaakt kunnen worden. Is de minutieuze afstelling van de naaldhouder eenmaal gedaan dan mag deze niet meer gewijzigd worden. Na tien platen moet de naald weer worden gewisseld voor een nieuwe.

In de jaren dertig staat in de kelder van het VARAgebouw een platensnijder waar opnamen mee worden vastgelegd voor later gebruik. Men gebruikt wasplaten die slechts één à twee keer gebruikt kunnen worden bij heruitzendingen. Na de eerste keer afspelen is de kwaliteit van het geluid al sterk verminderd. Na gebruik worden de groeven op de plaat weggeslepen zodat er een glad oppervlak ontstaat waar een nieuwe opname gemaakt kan worden. De wasplaten zijn ongeveer 5 centimeter dik. Omdat ze erg zwaar zijn hoeven ze bij het snijden en afspelen niet te worden vastgezet, ze blijven door hun gewicht wel liggen. Bij het weer glad maken draait de plaat met een hoge snelheid en dan wordt hij vastgezogen op het draaiplateau. Ook andere omroepen maken gebruik van deze techniek. Zo kan wanneer de omroeporkesten met vakantie zijn toch muziek van deze orkesten worden uitgezonden.