Categorie: Omroep in de Tweede Wereldoorlog

Uit Beeld en Geluid Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De inval

De omroepen (AVRO, VPRO, NCRV, VARA en KRO) zijn net als veel andere organisaties redelijk onvoorbereid op de gevolgen van de Duitse inval van mei 1940. De regering heeft een noodzender laten aanleggen in Den Haag en instructies gegeven dat zenders en omroepinstallaties niet vernield mogen worden. Programmatisch worden er geen afspraken gemaakt.

Vijf uur nadat de oorlog begint, gaan de gewone vaste programma’s van start zoals iedere ochtend om acht uur met vooral muziek afgewisseld met nieuwsberichten. De voorzitter van de KRO, de heer Dito, geeft de programmamakers de opdracht geen Engelse platen te draaien Bij de VARA wordt het draaien van Duitse platen juist verboden. Van verslaggeving van de gevechten of van bijvoorbeeld het bombardement op Rotterdam is geen sprake.

Vrij snel wordt besloten dat er meer eenheid moet komen. Iedere omroep krijgt een vaste dag in de week voor hun rekening. Dit is van korte duur. Na de capitulatie van 15 mei wordt het stil in de ether, er wordt niet meer uitgezonden, alleen het tikken van de AVRO klok is nog een dag te horen.

In de loop van 15 mei rijdt een kleine Duitse colonne Hilversum in, op weg naar de Avrostudio. Een politieagent wijst ze de weg. Ook de omroepvilla's van de VPRO, NCRV, VARA en de KRO worden bezocht door een detachement van het Duitse propagandaministerie. Met de omroepen wordt een overeenkomst afgesloten. De uitzendingen mogen doorgaan, maar er mag geen anti-Duitse propaganda worden gemaakt. De teksten van radio-uitzendingen moeten voor de uitzendingen worden goedgekeurd. De AVRO-leiding, in de persoon van Willem Vogt, komt de Duitsers tegemoet door uit eigen beweging al op 21 mei 1940, nog voordat er sprake is van anti-joodse maatregelen, een aantal joodse werknemers te ontslaan.

Rijksradio

Koningin Wilhelmina spreekt het volk toe via Radio Oranje

De omroepen vallen nu officieel onder de Militärische Rundfunkeinheit, beter bekend als Rundfunkbetreuungsstelle (RBS). Al snel blijkt dat de bezetter streeft naar één omroep. De meeste omroepen werkten op één of andere manier mee aan het plan van een Nationale Omroep. Alleen de VARA is een lastiger te nemen hindernis voor de Duitsers. Rost van Tonningen, prominent lid van de NSB, wordt tot ‘commissaris voor marxistische organisaties’ benoemd. Hij overlegt meermalen met de VARA leiding. De leiding zwicht en voorzitter Arend de Vries geeft een radiorede waarin hij de opstelling van de VARA uitlegt. Uitgebreide protesten en duizenden opzeggingen mogen niet baten.

Op 9 maart 1941 worden alle omroeporganisaties ontbonden. Hun personeel en hun bezittingen worden overgenomen door de Rijksradio De Nederlandsche Omroep, onder leiding van dr. ir. Herwijer, met als programmablad „De Luistergids”. Ook wordt een verplichte luisterbijdrage ingevoerd van negen gulden. De programmering van de Rijksradio wordt al snel gevuld met pro-Duitse uitzendingen. De propagandapraatjes van Max Blokzijl zijn bekend en berucht. Vanaf voorjaar 1941 is er steeds meer propaganda te horen, zoals bijvoorbeeld het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter. Paulus de Ruiter is het pseudoniem van Jacques van Tol, die voor de oorlog tekstschrijver was voor onder andere Snip en Snap en de joodse Louis Davids.

De programma's van de Rijksradio moeten luisteraars blijven trekken, zodat de Duitsers een belangrijk propagandakanaal hebben. Maar er wordt maar weinig naar geluisterd door het Nederlandse volk. Zij luisterden liever illegaal naar Engelse zenders, zoals Radio Oranje, geleid door de Nederlandse regering vanuit Londen. Dit massale luistergedrag naar Radio Oranje en de BBC blijft niet zonder gevolgen. Op 15 maart 1943 worden alle radiotoestellen verbeurd verklaard om het luisteren naar de illegale uitzendingen van Radio Oranje vanuit Londen tegen te gaan. Luisteren naar de Rijksradio bleef mogelijk via de ‘draadomroep’. (een soort kabelvoorziening “avant la lettre”)

Radio Oranje

Lou de Jong voor de microfoon van Radio Oranje

'Het verheugt mij bijzonder dat dankzij de welwillende medewerking van de Engelse autoriteit dit Nederlandse kwartier in de uitzendingen van de Britse radio is ingelast,’ zijn de eerste woorden van koningin Wilhelmina, op 28 juli 1940 voor Radio Oranje. [1] Vanaf dat moment is Radio Oranje elke dag een kwartier te horen vanaf negen uur ’s avonds. De uitzendingen staan onder leiding van de oude penningmeester van de VARA, Lebon die in mei naar Engeland is gevlucht.

Koningin Wilhelmina speelt een belangrijke rol binnen de uitzendingen van Radio Oranje, ze gebruikt haar toespraken om de bevolking moed in te spreken met zinnen als: "Wie op het juiste oogenblik handelt, slaat den Nazi op den kop. Ik heb gezegd.". Ook worden berichten voor het verzet doorgegeven. In 1941 komt door samenwerking tussen de Rijksvoorlichtingsdienst en de BBC een tweede Nederlandse zender tot stand: De Brandaris vooral gericht op zeevarenden. De twee zenders fuseren op 2 november 1942. Voor Radio Oranje werkt o.a. Lou de Jong, Jan de Hartog, George Sluizer en de schrijver A den Doolaard. De (Duitse) Rijksradio blijft tot 5 mei 1945 uitzenden. Het laatste radiopraatje van Max Blokzijl is hier [2] te horen.

Bevrijding en vernieuwing

Als op 5 mei 1945 een einde komt aan de bezetting, komt de vraag naar boven hoe de samenleving weer moet worden opgebouwd en eventueel hervormd. Moet alles weer beginnen, waar het in 1940 is geëindigd of hebben de ervaringen tijdens de oorlogsjaren de weg geplaveid voor een meer nationale aanpak van de omroep in plaats van de in veel ogen benauwende verzuiling, die de vooroorlogse maatschappelijke verhoudingen zo kenmerkten.

De jonge medewerkers van Radio Oranje die in Engeland met het BBC-model hebben gewerkt, zijn sterk voor het vormen een van nationale omroep. Terug uit Engeland vinden ze allemaal onderdak bij de nieuwe radio-omroep Radio Herrijzend Nederland, die onmiddellijk na de bevrijding van het Zuiden in september 1944 met uitzendingen is begonnen. Zij zien geen heil in het oude verzuilde omroepsysteem

Er ontstaat een groot maatschappelijk debat over de toekomst en structuur van de omroep. Ondanks de wens in brede kring om de verzuilde structuur te doorbreken blijkt het streven naar een Nationale Omroep een illusie..

Na de verkiezingen in 1946 treedt het kabinet Beel aan. De verantwoordelijke minister Gieten geeft de oude omroepen hun volledig autonomie terug. Als de omroepen in 1947 weer gaan uitzenden - volgens de afspraken die zijn gemaakt in het Zendtijdbesluit uit 1930 - is de situatie van voor de oorlog weer een feit.

Deze categorie bevat geen pagina’s of media.