Nieuwspresentator: De voorgeschiedenis

Uit Beeld en Geluid Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Voorgeschiedenis

De introductie van het medium televisie is stapsgewijs verlopen en heeft per land een verschillende geschiedenis. In Nederland wordt de televisie voor het eerst op grote schaal geïntroduceerd in 1951. De ontwikkeling van het programma-aanbod in Nederland is in grote mate bepaald door de verzuiling. Elke zuil heeft in Nederland zijn eigen krant, zijn eigen scholen, zijn eigen politieke partij en later zijn eigen radiozender. De televisie wordt in de beginperiode door die omroepen dan ook vooral beschouwd als aanvulling op de reeds bestaande radioprogrammering. De televisiegeschiedenis is dankzij de verzuiling in Nederland dan ook meer dan in andere landen verbonden aan de radiogeschiedenis.


Invloed van de radio

In het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw ontstaan de eerste Nederlandse radio-omroepen. De Nederlandse Seintoestellen Fabriek in Hilversum blijft, dankzij steun van moederbedrijf Philips, als enige Nederlandse radiofabrikant over, nadat concurrenten het hoofd niet meer boven water kunnen houden. De aan de fabriek gekoppelde HDO (Hilversumse Draadloze Omroep) verhuurt zendtijd aan verenigingen. Naast enkele commerciële ondernemingen melden zich in Hilversum ook levensbeschouwelijke groepen, zoals katholieken, protestanten en socialisten. Deze groepen richten al snel eigen radio-omroepen op en zo ontstaan afkortingen die nog decennia lang bovenaan in het televisiescherm, op het radiodisplay en in de televisiegids te vinden zijn. De protestanten verenigen zich in de NCRV (Nederlandse Christelijke Radio-Vereniging, opgericht in 1924), de katholieken in de KRO (Katholieke Radio Omroep, opgericht in 1925), de socialisten in de VARA (Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs, ook opgericht in 1925) en de vrijzinnig protestanten in de VPRO (Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep, opgericht in 1926). De AVRO (Algemene Vereniging Radio Omroep) komt in 1928 voort uit het eerder genoemde HDO en is niet gebonden aan een politieke of maatschappelijke stroming.

In de jaren twintig heeft Nederland slechts twee radiofrequenties waar door deze omroepen op kan worden uitgezonden (naast de korte golf, waarop de voorloper van Radio Nederland Wereldomroep, namelijk Philips Omroep Holland Indië al 1927 uitzendt). De Nederlandse politiek gaat zich bemoeien met de verdeling van de zendtijd over deze twee zenders. Dit resulteert in 1930 in de wetgeving die de naam Zendtijdbesluit meekrijgt. In dit besluit wordt vastgesteld dat de vier grootste omroepen (NCRV, KRO, VARA en de AVRO) ieder twintig procent van de zendtijd toebedeeld krijgen. Deze vier omroepen krijgen van de politiek de taak om programma’s te maken die gericht zijn op “bevrediging van in het volk levende cultureele of godsdienstige behoeften” en bovendien “geacht kunnen worden van algemeen nut te zijn”. De VPRO krijgt slechts vijf procent van de zendtijd, omdat zij zich voornamelijk willen richten op godsdienstige programma’s. De overige vijftien procent wordt verdeeld onder kleinere verenigingen.

De Nederlandse politiek kiest hiermee bij de inrichting van het radiolandschap niet voor een nationaal radiostation of voor commerciële omroepen (zoals in verschillende andere landen), maar voor een geheel eigen model gebaseerd op de reeds aanwezige verzuiling van de samenleving. Het nieuwe medium radio wordt hiermee een middel om de verzuiling ook op cultureel vlak te laten doorklinken.


Een verzuild model

Wanneer in 1951 de televisie ten tonele verschijnt, blijft het verzuilde model een grote rol spelen. In de eerste jaren is hier echter nog maar weinig sprake van (en uiteindelijk draagt de televisie ook weer bij aan de ontzuiling van de samenleving). In de beginjaren van de Nederlandse televisie is er namelijk maar één zender en een beperkte zendtijd. De eerste uitzendingen in 1950 hebben geen regelmaat. Soms is er plots een paar uur uitzending, daarna weer dagen lang niets. In 1951 wordt de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) opgericht en vanaf dat moment worden uitzendingen meer regulier en krijgen de bestaande radio-omroepen ieder hun eigen zendtijd.

Voorafgaand aan de eerste nationale televisie-uitzending op 2 oktober 1951 is er veel discussie rondom het nieuwe medium. De omroepbazen willen de zendtijd van de televisie indelen op dezelfde wijze als bij de radio al decennia lang gebeurt, waarbij elke omroep dus een deel van de zendtijd mag vullen. Minister-president Drees is echter huiverig voor de komst van het toestel in de Nederlandse huiskamers en wil aanvankelijk minstens de helft van de zendtijd gebruiken voor gezamenlijke programmering (programma’s die gemaakt worden door samenwerkende omroepen, iedereen in het land aan moeten spreken en niet slechts de leden van de eigen zuil). Uiteindelijk wordt in de ministerraad tot een kleiner deel voor gezamenlijke programmering (verzorgd door de NTS) besloten, namelijk vijfentwintig procent. In dat gezamenlijke deel is geen ruimte voor een nieuwsprogramma en belangrijke gebeurtenissen dienen door de omroepen zelf te worden gebracht voor, na of tijdens de gezamenlijke programmering. Aanvankelijk bestaat het idee om bioscoopnieuwsproducent Polygoon-Profilti de nieuwsuitzendingen te laten verzorgen, maar dit stuit op felle kritiek van de Bioscoopbond.

De NTS besluit daarop een nieuwe weg in te slaan en een eigen nieuwsprogramma te maken dat bedoeld is voor de Nederlandse televisie. Het televisienieuws moet in de eerste plaats actueel zijn, om zodoende de concurrentieslag met het Bioscoopjournaal te winnen. NTS-programmacommissaris J.W. Rengelink wil dat er een aparte nieuwsuitzending komt, die los staat van de omroepen. In eerste instantie willen de omroepen namelijk zelf het nieuws brengen, maar Rengelink probeert dit te voorkomen. Niet alleen heeft elke omroep aparte belangen, ook zou het financieel niet haalbaar zijn elke omroep te laten berichten over een belangrijke gebeurtenis. Een gezamenlijk belang van de omroepen is echter wel dat er een nieuwsuitzending komt: eentje die er aantrekkelijk uit ziet, actueel is en daarmee veel nieuwe kijkers naar de televisie trekt. Kijkers die vervolgens blijven hangen voor de uitzendingen van de omroepen zelf.


Een poldermodel

Er wordt bij wijze van compromis besloten tot de oprichting van een zogenaamde redactiecommissie. In deze commissie zijn alle omroepen vertegenwoordigd en allemaal hebben ze een stem in hoe het televisiejournaal eruit moet komen te zien. Daarbij wordt de vergelijking gemaakt met de door het ANP verzorgde nieuwsuitzendingen op de radio. Ook het televisienieuws moet berichten over gebeurtenissen uit alle maatschappelijke stromingen van Nederland. In 1955 gaat Rengelink met een variant op dit voorstel akkoord. Er komt een televisienieuwsprogramma waarin de omroepen inspraak krijgen, tot op zekere hoogte. Er moet ook kunnen worden bericht over gebeurtenissen op een zondag, zonder dat bijvoorbeeld de NCRV hier religieuze bezwaren op heeft. Als elke omroep zo zijn eisen stelt, blijft er immers geen Journaal meer over.

Er wordt een Journaalcommissie opgericht die eens per week samenkomt om de journaaluitzendingen van de komende weken in grote lijnen samen te stellen. In deze commissie hebben alle omroepen zitting en bepalen dus gezamenlijk de inhoud van het programma. Wel krijgt elke omroep een vetorecht, maar dit geldt enkel voor uitzonderlijke, principiële bezwaren. De uitvoering van de plannen van de commissie is in handen van een redactie, onder leiding van een hoofdredacteur. Voor deze functie begint in oktober 1955 Volkskrant journalist Carel Enkelaar. Enkelaar krijgt een adviserende rol in de commissie, maar moet in de eerste plaats vooral de plannen uitvoeren en krijgt dan ook geen inspraak in de stemrondes. De enige die de plannen van de commissie kan dwarsbomen is het Dagelijks Bestuur van de NTS, die nog een rang hoger staat in de hiërarchie van het nog te verschijnen NTS Journaal. In de praktijk zal blijken dat de actualiteit steeds vaker de wekelijkse afspraken van de commissie gaat inhalen. Wanneer dit gebeurt, is Enkelaar verantwoordelijk, maar wel na zoveel mogelijk overleg met de commissie. Tevens dient voorafgaand aan iedere uitzending de inhoud door een commissielid te worden goedgekeurd.



Terug naar onderwerp

Vorig hoofdstuk || Volgend hoofdstuk