Vreemd land: Cotton Club

Uit B&G Wiki
Versie door Theo10 (overleg | bijdragen) op 15 dec 2008 om 13:56
Periode1995
Beschikbaar in archief[]
Genredocumentaire
Decennia1990-1999
Lengte32 minuten
Mediumtelevisie, video

Cotton Club (1995) is een aflevering uit de NPS-serie Vreemd Land waarin Theo Uittenbogaard een zestal vaste bezoekers van de Cotton Club aan de Nieuwmarkt te Amsterdam, van Surinaamse afkomst interviewt ,en natuurlijk Annie Smit, de vrouw die dan -in 1995- al bijna 50 jaar de zaak, vanachter de bar, bestiert. De uitzending duurt slechts 30 minuten, dus het verhaal, de geschiedenis van de Cotton Club en zijn bezoekers, wordt summier maar effectief verteld, doordat de gesprekken zo in elkaar zijn gesneden, dat het één soepel verhaal wordt, in de beste traditie van 'oral history'.

De Voorgeschiedenis

Teddy Cotton

Het café (voorheen: Café De Bezem) dankt zijn naam en zeker zijn bekendheid aan de aanwezigheid van de eerste zwarten in de zaak. Het werd direct na de Tweede Wereldoorlog een ontmoetingsplaats voor zwarte schepelingen uit West-Afrika (met name Ghana), al of niet gedroste bemanning, of verstekelingen of avonturiers uit Suriname, en in Duitsland of in Soesterberg gelegerde zwarte G.I.'s; manschappen van de Amerikaanse troepenmacht in Europa. Dat kwam omdat de dochter van de cafébaas, Annie Smit, als 16-jarige graag -hoewel verboden door haar ouders- in dancings als 'de' Liberty en 'de' 'Casablanca' aan de Zeedijk (Amsterdam) kwam, daar de 'swing' leerde dansen van zwarte jongens op muziek van de -live- band van de Surinaamse Louis Armstrong, de trompettist Teddy Cotton en zijn maat, de saxofonist, 'Kid Dynamite', en uiteindelijk haar zwarte danspartner aan haar vader voorstelde, die na enige aarzeling, ook de daarop volgende vriendjes van Annie en aanhang, verwelkomde in zijn café gedurende de dag.

Hij, -' Ome Frits '-, en zijn vrouw -' Tante Da '- zouden zich als een vader en moeder over de zwarte jongens ontfermen; zij letten op hen, gaven goede raad, en beheerden van sommigen zelfs hun weekloon. Toen Annie op haar 18e met Teddy Cotton, die eigenlijk Theodoor Kantoor heette, ging samenwonen -in die tijd denigrerend 'hokken' genaamd-, als gevolg door de buurt voor 'negerhoer' werd uitgemaakt, en later de zaak van haar vader overnam, noemde ze het café -waarschijnlijk- provocerend 'Cotton Club', naar Teddy, en naar een fameus danslokaal in New York in de VS, waar in de jaren 30 voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis zwarten en blanken samen getolereerd werden, althans waar blanken konden luisteren naar zwarte musici.


De eerste negers

De reden voor de komst van de -vooral Creoolse- Surinamers naar Nederland was in de jaren na WO2 zelden een rationeel besluit -de enkelingen die kwamen om serieus te gaan studeren daargelaten. Vaak was het de lust voor avontuur; een ontsnapping uit het saaie, voorspelbare en door missie en zending behoorlijk geïndoctrineerde vaderland. Het was nieuwsgierigheid naar het verre, rijke, en -vooral- geïdealiseerde 'moederland', dat ze uit de schoolboeken beter leken te kennen dan het hunne. En ze werden natuurlijk gelokt door de sterke verhalen van mensen die hen waren voorgegaan -die liever hun succes opdisten, dan van hun teleurstelling blijk gaven. Want teleurstellend was het voor de meesten. Het naïeve beeld dat Nederland 'een land van melk en honing' was, werd onmiddellijk na aankomst gelogenstraft. Nederland oogde grauw; Het was net bekomen van de oorlog en er verzwakt uit opgekrabbeld, de levensstandaard was laag, de 'wederopbouw' moest nog beginnen.

"En ze wérkten hier", zegt Jessy Brewster in de film, één van die Surinaamse verstekelingen, nadat hij in Amsterdam van boord was gesprongen, "die blánken werkten hier. Ze veegden zelfs de straat !" En het was er koud. Zo koud !. "Het sneeuwde. Hier op de Nieuwmarkt lag een pak sneeuw. In november!", zegt Emile Cameron. "Geld voor winterkleren hadden we niet", zegt 'Taracan', "dus stalen we een winterjas uit de garderobe. Van het haakje".

Hosselen

Het bleek buitengewoon moeilijk om werk te vinden voor de nieuwkomers. En dus te overleven. Woonruimte die werd aangeboden, bleek vaak toevallig, vlakvoor de eerste kennismaking met de potentiële huurder, te zijn vergeven aan een ander. Enkelen vonden, zwaar, onaangenaam, werk in de bouw of de industrie; de mindere baantjes -overigens zonder kans op een carrière. Want vooroordelen -zo geen racisme- bepaalden de houding van de Nederlanders. "Men vond ons lui," zegt Taracan, "dom en lui".

Uit teleurstelling en trots -"dan maar geen baas"- (Boyd Antonia), pakten velen ambulant werk aan, -waarmee de Nederlandse vocabulaire werd uitgebreid met het begrip 'hosselen'. Ze werkten als 'Moor' of als bokser op de kermis, als colporteur van modebladen, als barkeeper, als portier, of, -desnoods aan de zelfkant- als souteneur, of, toen die mogelijkheid zich voordeed, als drugs-dealer, -al heette dat toen nog niet zo. Ook werd er -traditiegetrouw- veel gegokt. En veel vals gespeeld met naïeve buitenlui.

Teruggaan naar Suriname was geen optie. Schaamte over de mislukking van het Nederlandse avontuur weerhield hen, en ook natuurlijk gebrek aan geld voor de reis. Wat verrassend meeviel was de aandacht van de vrouwen voor die goeduitziende, gezonde, swingende zwarte jongens. Dit in tegenstelling tot de harkerige, magere mannen, die de oorlog hadden overleefd. "Gingen we die oudere vrouwen versieren,", vertelt er één glunderend, "hun mannen waren dood, of op zee."

En 's avonds ontmoetten ze elkaar, en nieuw-aangekomenen, rond de grote ronde hetelucht-kachel in de Cotton Club, hun huiskamer aan de Nieuwmarkt. Bij ome Frits en blonde Annie.

Seks, drugs en jazz

De faam van de Cotton Club groeide gestaag. zwarte Amerikaanse militairen uit Soesterberg of Duitsland leerden ook de weg kennen naar het café, vertelt George Harrison En naar die blanke meisjes, die daar inmiddels ook graag kwamen. Amsterdam was de enige plek in Europa, zo werd beweerd, waar zwarte jongens met blanke meisjes samen gezien mochten worden. Ze mochten zelfs samen een kamer huren -aan de kop van de Zeedijk. In de kamertjes van Emile Cameron.

Ome Frits kocht een grote Wulitzer-jukebox, en de Amerikanen namen 78-toeren platen mee, met authentieke zwarte jazz-muziek. En ze informeerden of er misschien ook marihuana te krijgen was.Daar zorgden de schepelingen uit Ghana voor. Zij smokkelden het in de handgreep van een papieren boodschappentas mee. Verkochten het aan de Surinamers, die er 'stickies' -dunne sigaretjes- van draaiden, die ze doorverkochten, of 'een luciferdoossie' voor 1 dollar per stuk. In eerste instantie aan de Amerikaanse militairen, maar ook aan die paar blanke artistiekelingen, die Pleiners, zoals Eric van Bremen, die op de jazz in de Cotton Club afkwamen. "En als ze dat rookten", vertelt Annie, "en de politie kwam binnen, dan roken die het niet. Want ze kenden het niet".

Heroïne

Verkochten Chinezen in eerste instantie nog wel eens wat opium aan de niet-Chinese liefhebber, uit de voorraad van de -gedoogde- gebruikersruimten boven de Chinese restaurants van de Binnen Bantammerstraat, rond 1973 begonnen ze actief de Europese markt te benaderen met een veel lucratiever roesmiddel: heroïne, vertelt buurtgenote Riekie Krabshuizen. In Amsterdam vonden ze in de Surinaamse stickies-verkopers goede handelsvertegenwoordigers; die spraken de taal en konden dus potentiële klanten gemakkelijk benaderen. De uitstekende kwaliteit en de lage prijs verleidde echter niet alleen klanten; ook de verkopers raakten vaak in de ban van het 'bruin'. Ook bezoekers van de Cotton Club, die hun verslaving bekostigden met de opbrengst van steeds luidruchtiger en agressiever handel. "Mick Jagger kwam hier zelfs langs", vertelt Annie, "die had gehoord, dat je in de Cotton Club dope kon kopen. Toen heb ik de naam veranderd".

Vijf jaar lang heette de Cotton Club toen: Café Annie.

The end

Na jarenlang aarzelen ging Annie in 1996, na net geen vijftig jaar achter de bar, met pensioen, en werd het café overgenomen door de buurman. Er komen nog wel zwarte, oude klanten. Maar steeds minder. Velen waren weliswaar altijd van plan om naar Suriname terug te keren, maar het kwam er niet van. De dood overviel hen voortijdig.

Produktiegeschiedenis

Research

Vooraf wisten de makers niets van bovenstaande voorgeschiedenis. Slechts nieuwsgierigheid naar de statige, wat onbenaderbare zwarte mannen, die al sinds zijn heugenis de Cotton Club bevolkten bracht Theo Uittenbogaard ertoe, om de buitengewoon ervaren researcher en journaliste Henriette Theunissen onderzoek naar hen te laten doen. Hijzelf zou, als het onderzoek bevredigend zou zijn verlopen, dan -tot in de kleinste details gebriefd- zelf de interviews voor de camera als 'onbevangen' buitenstaander kunnen doen, waardoor de oorspronkelijkheid van het 'verhaal' optimaal zou zijn. Aldus geschiedde, maar niet nadat Henriette aanzienlijke barrieres moest nemen om het vertrouwen van de, inderdaad nogal onbenaderbare, mannen te winnen. Ten eerste waren velen moeilijk te vinden en/of lang geen stamgasten meer. Ten tweede omdat velen meer of minder aan de zelfkant van de maatschappij hadden moeten of weten te overleven en daar op latere leeftijd niet mee geconfronteerd of bevraagd wilden worden. En al zeker niet daarmee 'op de televisie' , in het openbaar, uitspraken over te doen. Het lukte Henriette om een dertigtal stamgasten te vinden en met de meesten van hen een gesprek te hebben. Een aantal viel direct al af -zoals de zoon van Teddy Cotton- die pertinent weigerde mee te werken. Een aantal van hen waren niet zulke geschikte 'praters', die het verhaal boeiend zouden kunnen vertellen.

De opnamen

Tenslotte zegden een 15 man toe, om op een gegeven moment naar de Cotton Club te komen om daar geinterviewd te worden. Annie Smit vond het geweldig en gaf alle medewerking. Uittenbogaard wist dat hij alleen met geduld, in alle rust en met genoeg tijd het 'hele' verhaal te horen zou krijgen, en concludeerde dat hij slechts 2 man per dag zou kunnen interviewen. In overleg met Annie -die de zaak 's avonds gewoon open wilde hebben- plande hij 's morgens en 's middags 1 interview. Een week lang.

De techniek

De zaak werd daartoe verduisterd, zodat er geen daglicht kon binnenvallen en daardoor steeds dezelfde sfeer zou heersen. De belichter, Beat Scheidegger, bouwde een grid tegen het plafond van de zaak waarin hij geraffineerd onopvallende lampen hing met hetzelfde kleurpalet als de oorspronkelijke belichting van de zaak. Zo kon, met een kleine ingreep, het hele lichtniveau precies aangepast worden voor een optimale beeldkwaliteit, zonder afbreuk te doen aan de oorspronkelijke sfeer. De meeste genodigden kwamen op het afgesproken uur -of iets later- en zij werden opdezelfde manier, hetzelfde gevraagd. Wat was het beeld van Nederland voordat ze vertrokken ? Wat verwachtten ze ? Hoe reisden ze hierheen ? Wat troffen ze aan ? Hoe kwamen ze aan woning, werk en geld ? Hoe werden ze bejegend ? Wat was leuk ? Was het telurstellend ? Dit stramien werd met opzet gevolgd, zodat het verhaal later in de montage tot een uniform geheel gesmeed zou kunnen worden. Eén verhaal uit vele monden. Uittenbogaard tutoyeerde hen vanaf het binnenkomen tot bij het interview opzettelijk om de juiste sfeer van vertrouwelijkheid te creeeren. Tenslotte werd op de laatste middag een reünie georganiseerd met hapjes en drankjes.

De laatste

Eén man liet vertstek gaan. Hij had gezegd te willen komen, maar het leek erop dat hij de zaak saboteerde. Hij kwam niet opdagen. Nam zijn telefoon niet op. Hij was absoluut nodig om het verhaal te vervolmaken. Henriette zocht hem op in het Surinaamse restaurant waar hij klusjes voor deed en bestellingen bezorgde. Zij bezwoer hem voor het einde van de week te komen, anders zouden we weg zijn. Hij wachtte een week, kwam pas tevoorschijn na de reünie. Maar de ploeg zat er nog, inclusief camera en licht. Hij werd geinterviewd; een gedenkwaardig gesprek met de 'koning van de Kop van de Zeedijk'; schatrijk geweest, gokker, heroine-dealer, en tot armoede vervallen.

De montage

De afwerking verliep wonderlijk snel. Het plan had gewerkt; één verhaal uit vele monden. De muziek, die eronder gelegd werd, was uit de tijd waar het verhaal zich op dat moment bevond. De uitzendtijd was te kort. Er was materiaal voor een documentaire van volle lengte: ten minste een uur. Helaas liet het format van Vreemd Land dat niet toe.


Trivia

Ed van der Elsken

  • Een foto van Surinaamse stamgasten en Ome Frits voor de deur van de oude Cotton-Club, gemaakt door Ed van der Elsken, die destijds boven het café woonde, is op reuze-formaat te zien in het metro-station Nieuwmarkt.

Barbarismen

  • De enige bewegende beelden en de enige geluidopnamen die van Teddy Cotton en Kid Dynamite bestaan, werden, -waarschijnlijk in dancing Casablanca- in het begin van de Tweede Wereldoorlog, gemaakt voor een propaganda-film op initiatief van de met de Duitse bezetter collaborerende NSB, als waarschuwing tegen de ontaarding van de Nederlandse cultuur door de verfoeilijke negermuziek. 'Barbarismen' werd het vrolijk swingende nummer betiteld. De ironie wil, dat de film na WO2 als oorlogsbuit werd beschouwd en dus rechtenvrij door het Nederlands Jazz Archief van Herman Openneer ter beschikking kan worden gesteld. Voor deze film en voor de film Kid Dynamite van Hans Hylkema

Geen Prix Iris

  • De documentaire 'Cotton Club' werd welgenomineerd, maar niet bekroond met de Prix Iris, de Europese prijs voor multiculturele televisieprogramma's, omdat twee van de zes juryleden ernstig, politiek-correct, bezwaar hadden tegen de vrijmoedige vragen van de interviewer en de nog vrijmoediger antwoorden van de geïnterviewden ("we stalen een winterjas uit de garderobe", "3,50 gulden voor een wip" en "80 gram heroïne had ik bij me"), omdat er g e e n o v e r w e g e n d g u n s t i g beeld van een minderheid werd geschetst.

Makers

Geinterviewden

uit de montage gevallen