Nico Crama: verschil tussen versies

Uit B&G Wiki
Geen bewerkingssamenvatting
kGeen bewerkingssamenvatting
 
(22 tussenliggende versies door 5 gebruikers niet weergegeven)
Regel 1: Regel 1:
{{ Infobox Persoon
{{ Infobox Persoon
| illustratie = Nico Crama.jpg
| illustratie = Portret Nico Crama (1991) - Maarten Hin 02.jpg
| naam      =  Nico Crama
| naam      =  Nico Crama
| geboorte_datum  =  20 augustus 1935
| geboorte_datum  =  20 augustus 1935
Regel 6: Regel 6:
| overlijden_datum  =   
| overlijden_datum  =   
| overlijden_plaats =  
| overlijden_plaats =  
| functies = [[producent]], [[regisseur]]
| functies = [[:category:filmmaker|filmmaker]], [[:category:producent|producent]], [[:category:regisseur|regisseur]]
| bekend_van  = ''[[Netsuke]], [[De worstelaar]], [[Ei om zeep]]''
| bekend_van  = ''[[Netsuke]]'', ''[[De mooiste tijd...]]'', ''[[De worstelaar]]'', ''[[Piet Mondriaan: een filmessay]]''
| periode_actief  =  1953-1999
| periode_actief  =  1953-2009
| werkt_samen_met =  [[Paul Driessen]], [[Ellen Meske]], [[Borge Ring]], [[Paul Verhoeven]]
| werkt_samen_met =  [[Gerrit van Dijk]], [[Paul Driessen]], [[Jan Oonk]], [[Børge Ring]], [[George Sluizer]], [[Paul Verhoeven]], [[Frans Zwartjes]]
| trivia =  
| trivia =  
| onderschrift = Nico Crama
| onderschrift = Nico Crama, Scheveningen, 17 mei 1991<br>Foto: Maarten Hin (1944-2002)
| externe_info =  
| externe_info =
| catalogus = [[Nico Crama in de media]]
| catalogus = [[Nico Crama in de media]]
| programmaoverzicht = [[Oeuvre van Nico Crama ]]
| programmaoverzicht = [[Oeuvre van Nico Crama ]]
}}
}}


Nico Crama heeft als producent met name een bijdrage geleverd aan de Nederlandse animatiefilm. Vanaf 1958 werkte hij als filmmaker, onder andere voor de Nederlandse Onderwijs Film en als onafhankelijk producent. Hij heeft de Stichting Holland Animation in de jaren’70 geprofessionaliseerd en met verschillende animatiefilmers de Nederlandse animatiefilm internationaal op de kaart gezet.
'''Nico Crama heeft als producent, regisseur en scenarioschrijver (mee)gewerkt aan meer dan tachtig, merendeels korte, films in Nederland, Canada en de Verenigde Staten. Vanaf 1958 werkt hij als filmmaker, onder andere voor de Nederlandse Onderwijs Film, en als onafhankelijk producent. Vanaf het begin van de jaren zeventig speelt hij een belangrijke rol bij de professionalisering van de Nederlandse animatiefilm en hij zet deze internationaal op de kaart.'''


De Crama’s stammen af van Huguenoten die in de 17de eeuw via het Belgische Verviers naar Leiden waren gekomen. Daar maakten ze zich verdienstelijk in de lakenhandel, verbouwden of verkochten groente als ‘warmoezenier’ of werkten als schoolmeester. Nico Crama kwam zelf uit een middenstandsmilieu: zijn grootvader had een slagerij en zijn vader was rijwielhandelaar. Na de lagere school doorlopen te hebben ging Nico naar het gymnasium. Hoewel hij niet verder kwam dan de derde klas, zou hij nog lang plezier beleven aan de vriendschap met een aantal klasgenoten. Nadat hij de MULO in Wassenaar had afgemaakt om in ieder geval toch maar een diploma te hebben, kreeg hij zijn eerste baantje bij een accountantskantoor. Daar leerde hij de praktijk van het boekhouden. Later werd hij corrector bij een drukkerij, wederom een baan waarvoor punctualiteit een eerste vereiste was.  
===Jeugd en eerste aanraking met film===
De Crama’s stammen af van Hugenoten die in de zeventiende eeuw via België naar Leiden zijn gekomen. Nico Crama komt uit een middenstandsmilieu: zijn grootvader heeft een slagerij en zijn vader is rijwielhandelaar. Hij komt niet verder dan de derde klas op het gymnasium maar behaalt wel zijn MULO-diploma. Als scholier raakt hij besmet met het filmvirus. Met een 8mm-camera begint hij zelf films op te nemen. Bij de [[Leidse Smalfilm Liga]] maakt hij kennis met toonaangevende amateurfilmers als [[Emile Timan]], [[Joop Pieëte]] en [[Herman Kleibrink]], die hem met raad en daad terzijde staan. In hun films gaat het om beeldcompositie, montage, spel van licht en donker, ‘filmrijm’. Deze elementen zijn ook terug te vinden in ''[[Impressions de Paris]]'', de film die Crama met zijn Kodak 8mm-camera – ook bekend als het ‘roggebroodje’ – in 1953-54 in en over Parijs maakt.


Als scholier al was Crama besmet geraakt met het filmvirus. Desnoods spijbelde hij om dat fascinerende, bijna verslavende gevoel van verwachting te kunnen ondergaan. Met een 8mm camera begon Crama zelf films op te nemen. Eerst waren dat familiefilms, maar na enige tijd zette hij zijn zinnen op het maken van ‘echte’ films. Bij de Leidse Smalfilmliga ontmoette hij ervaren amateurfilmers als [[Emile Timan]], [[Joop Pieëte]] en [[Herman Kleibrink]], die hem met raad en daad terzijde stonden. In hun films ging het om beeldcompositie, montage, spel van licht en donker, ‘filmrijm’. Die filosofie was ook terug te vinden in [[Impressions de Paris]], de film die Crama in 1953 over Parijs maakte.
Crama wil van filmen zijn beroep maken. Omdat er nog geen filmopleiding in Nederland is, volgt hij met een Unesco-beurs als toehoorder lessen aan de filmschool IDHEC in Parijs. Via een Nederlandse vertegenwoordiger bij de Unesco komt hij bij de [[Stichting Nederlandse Onderwijs Film]] (NOF) terecht, die geleid wordt door de filmtheoreticus Dr. J.M.L. Peters. Wegens bezuinigingen kan Crama niet bij de NOF blijven werken en gaat hij in december 1955 als filmlaborant aan het werk bij [[Triofilm]] in Amsterdam. Dit productiebedrijf en laboratorium wordt geleid door de ervaren cameraman [[Jo de Haas]] en diens zwager Theo Cornelissen. Crama doet er de nodige kennis over laboratoriumtechnieken op.  
''Impressions de Paris'' maakte Crama duidelijk dat hij van filmen zijn beroep wilde maken. Er was nog geen filmopleiding in Nederland, maar Crama kreeg een Unesco-beurs om als toehoorder lessen aan de Franse filmschool IDHEC in Parijs te volgen. Via de Nederlandse vertegenwoordiger bij de Unesco, ir. J.H.J. de Jong, kwam hij vervolgens bij de [[Stichting Nederlandse Onderwijs Film]] (NOF) terecht. In december 1955 ging hij voor fl. 25 bruto per week bij [[Triofilm]] in Amsterdam werken. Dit productiebedrijf en laboratorium werd geleid door de ervaren cameraman [[Jo de Haas]] en diens zwager [[Theo Cornelissen]]. Crama deed er de nodige kennis over laboratoriumtechnieken op. Hij leerde bovendien in Amsterdam zijn toekomstige vrouw Cees kennen. Veel stak hij op bij de leergang ‘Het Ambacht van de Filmkunstenaar’, die Professor Peters, directeur van [[het Nederlands Filminstituut]] (NFI), in 1955-56 organiseerde.  


Nadat hij een jaar bij Triofilm had gewerkt, keerde Crama terug naar de NOF, waar hij als assistent-montagekracht in dienst kwam. Tussen Crama en zijn NOF-collega’s [[Kees van Langeraad]], [[Rupert van der Linden]] (animatie), [[Wim van Beelen]] (rostrum-camera) en [[Sipko Scholten]] (grafisch ontwerp) ontstond een nauwe band. Een van de films die Crama voor het onderwijs ‘bewerkte’, was [[Mangrove]], een documentaire die de Nederlandse bioloog [[Peter Creutzberg]] in 1954 in Sierra Leone had opgenomen. Crama schreef ook het bijbehorende instructieboekje voor de onderwijskrachten, die deze film in de praktijk moesten gaan gebruiken. In 1958 kreeg hij de kans om zelf een onderwijsfilm te realiseren over het onderwerp zwavelzuur. Een deel van de opnamen werd gemaakt in een klaslokaal van het Haags Montessori Lyceum. [[Zwavelzuur]], gedeeltelijk in kleur opgenomen, ging in oktober 1960 in première.  
Na een jaar bij Triofilm keert Crama terug naar de NOF, als assistent-montage. Er ontstaat een nauwe band tussen hem en zijn NOF-collega’s [[Kees van Langeraad]] (scenario, regie), [[Rupert van der Linden]] (illustratie en trucage), [[Wim van Beelen]] (rostrum-camera) en [[Sipko Scholten]] (grafisch ontwerp). Een van de films die Crama voor het onderwijs ‘bewerkt’, is ''[[Mangrove]]'', een documentaire die de Nederlandse bioloog/cineast [[Peter Creutzberg]] in 1954 in Sierra Leone heeft opgenomen. Crama schrijft ook het bijbehorende instructieboekje voor de onderwijskrachten die deze film in de klas gebruiken.  


Inmiddels had ook bij de NOF het begrip ‘filmvorming’ zijn intrede gedaan. Nadat hij eind 1959 het diploma ‘Filmpedagogiek’ had gehaald op een door het Nutsseminarium voor Pedagogiek van de UvA en het NFI georganiseerde cursus, zou Crama ook dergelijke bijeenkomsten van de Katholieke Film Actie toespreken. Als hij ver van huis was en diezelfde avond niet meer terug kon, werd hem overnachting in een klooster aangeboden, hetgeen naar zijn zeggen sterk heeft bijgedragen aan zijn voorliefde voor wijn en sigaren.  
===Filmen en les geven===
Rector Jan Koning nodigde Crama uit om zijn ideeën over ‘filmvorming’ op het Haagse Montessori Lyceum in de praktijk brengen. Crama verzorgde niet alleen lessen over film, maar stelde de leerlingen ook in de gelegenheid om ter afsluiting van de cursus gezamenlijk een film te maken. Deze nieuwe onderwijsvorm trok al snel de aandacht van de media. Zo wijdde het AVRO televisie-jeugdprogramma [[Rooster]] begin 1961 een aflevering aan de filmactiviteiten op het lyceum. Ook wist Crama gedaan te krijgen dat er op het Cinestud filmfestival, dat in oktober 1960 in de befaamde Amsterdamse studentenbioscoop Kriterion werd gehouden, naast de studentenfilms ook aandacht werd besteed aan films van middelbare scholieren.  Met Jan Mulder, een oud-klasgenoot van het gymnasium die inmiddels in Leiden Romaanse filologie studeerde, richtte hij in 1959 de Academische Filmstudiekring Salon Indien op.  
In 1959 maakt hij ''[[Zwavelzuur]]'', een film over scheikunde, die deels in het Haags Montessori Lyceum wordt opgenomen. Hier wisselen Crama en Jan Koning, de rector van het lyceum, van gedachten over het belang van filmvorming. Koning nodigt hem uit les te komen geven op het Montessori Lyceum. Crama verzorgt niet alleen lessen over het wezen van de film en de geschiedenis ervan, maar stelt de leerlingen ook in de gelegenheid om ter afsluiting van de lessen gezamenlijk een film te maken. Deze nieuwe onderwijsvorm trekt al spoedig de aandacht van de media. Zo wijdt het [[AVRO]] televisie-jeugdprogramma ''[[Rooster]]'' in april 1963 een aflevering aan de filmactiviteiten op dit lyceum. Op meerdere manieren brengt Crama het filmwerk van de scholieren onder de aandacht. Als in oktober 1960 in de befaamde Amsterdamse studentenbioscoop Kriterion het eerste [[Cinestud filmfestival]] wordt gehouden, weet Crama het voor elkaar te krijgen dat naast studentenfilms ook aandacht wordt besteed aan films van middelbare scholieren.


Nadat Crama samen met [[Jan Hulsker]], chef Kunsten van het Ministerie van OK&W, aan de realisatie van [[Erasmus, de stem van de rede]] (1961) had gewerkt, vond hij het tijd om de NOF te verlaten en als zelfstandig cineast verder te gaan. Met eigen geld produceerde en regisseerde Crama in 1961 zijn eerste film [[Netsuke]] over de Japanse gordelknopen in de collecties van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden.  
Vanaf 1961 werkt Crama als onafhankelijk regisseur en producent, maar het lesgeven aan het Haags Montessori Lyceum en later aan het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest houdt hij tot begin jaren zeventig aan. Zijn eerste eigen productie ''[[Netsuke]]'' gaat over de Japanse gordelknopen in de collectie van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Vervolgens maakt hij met subsidie van het Ministerie van OK&W ''[[De mooiste tijd…]]'', een docudrama op bioscoopformaat over de leefwereld van middelbare scholieren.  
Na deze eerste film ontwikkelde Crama zich daadwerkelijk tot zelfstandig filmmaker. Hij had meestal meerdere projecten tegelijk lopen, zoals zijn film [[Het oponthoud]] waaraan hij enkele jaren werkte.  


Na een bezoek aan het filmfestival van Karlovy Vary werd Crama uitgenodigd door de Tsjechoslowaakse Bond van Film- en Televisiekunstenaars. Zij nodigden na de inval van de Russen in 1968 buitenlanders als een soort culturele human shields uit, in de hoop dat hun aanwezigheid het terugdraaien van de hervormingen op filmgebied en het inperken van de vrije meningsuiting van de filmmakers zou kunnen verhinderen of op z’n minst vertragen. Met vrouw en kind bracht Crama in 1969 vier maanden in Praag door. Daar trof hij een filmpraktijk aan, die hem op een aantal essentiële punten superieur leek aan de Nederlandse. In zijn verslag schreef hij dat hij in Tsjecho-Slowakije twee belangrijke zaken had geleerd: 1. dat regie en scenarioschrijven twee verschillende zaken waren en dat hij in de toekomst geen scenario’s meer wilde schrijven, ‘omdat ik het niet kan’; 2. dat hij alleen nog films wilde produceren, waarvan hij zeker wist dat ze vertoond zouden gaan worden, en niet, zoals veel gesubsidieerde films in Nederland, op de plank zouden blijven liggen.  
===Producent en filmmaker===
Na een aantal films te hebben gemaakt, waaronder de korte speelfilm ''[[Het oponthoud]]'' (1969) naar een scenario van Hubert Lampo, en de productie van enkele animatiefilms en TV-spots met voormalig NOF-collega [[Rupert van der Linden]], ontwikkelt Crama zich aan het einde van de jaren zestig tot een producent die andere filmmakers helpt bij het realiseren van korte, kunstzinnige films met gelden van het Ministerie van CRM. Regisseurs als [[Ruud van Hemert]] (''[[Flinkevleugel]]'', 1969), [[Jan Oonk]] (''[[De stuiter]]'', 1971) en [[Paul Verhoeven]] (''[[De worstelaar]]'', 1971) maken dankbaar gebruik van Crama’s diensten.  


Crama wierp zich aan het einde van de jaren zestig op als een producent, die andere filmmakers hielp bij het realiseren van korte, kunstzinnige films met gelden van het Ministerie van CRM. Om brood op de plank te hebben realiseerden ze hierna een reeks van ''Titan-spotjes'' (Televisie Informatie Tot Algemeen Nut, de voorloper van Postbus 51), voor verschillende ministeries.  
Voor het Haags Gemeentemuseum maakt Crama een reeks van korte films. In ''[[Fotoportret]]'' (1970) wordt de geschiedenis van de portretfotografie behandeld. De volgende film, ''[[Daumier, verslaggever van zijn tijd]]'' (1971), over de negentiende-eeuwse Franse cartoonist, is zo’n succes dat er een Engelse en Franse taalversie van gemaakt worden. Voor ''[[Piet Mondriaan: een filmessay]]'' (1973) krijgt Crama na veel soebatten financiële steun van de ministeries van CRM en Buitenlandse Zaken. De film, die in achttien minuten de ontwikkeling van Mondriaan van naturalistisch tot abstract schilder laat zien, wordt internationaal met vele prijzen bekroond.  


Toen hij uit Tsjecho-Slowakije terugkeerde, had hij bezworen alleen nog maar films te produceren, waarvan hij zeker wist dat ze vertoond zouden gaan worden. Een onverwachte partner, het Haagse Gemeentemuseum, bood hem die mogelijkheid. In 1970 kwam de eerste film gereed: [[Fotoportret]] In ruim tien minuten werd de geschiedenis van de portretfotografie behandeld. De volgende film, [[Daumier, verslaggever van zijn tijd]] (1971), over de negentiende-eeuwse Franse cartoonist, was zo’n succes dat er een Engelse en Franse taalversie van gemaakt moest worden.  Het volgende project ging echter het beschikbare budget ver te boven: een film over Piet Mondriaan. Het Haags Gemeentemuseum was bijzonder geporteerd voor een film over deze schilder.  
===Een jaar in Montréal===
In 1974 brengt Crama met zijn gezin een jaar in Montréal door dankzij een fellowship van de Canadese regering. Hij ervaart uit eerste hand hoe de National Film Board of Canada (NFB) werkt. Daarbij raakt hij met name onder de indruk van de productionele en creatieve mogelijkheden binnen dit staatsfilmbedrijf. Enkele jaren na zijn verblijf in Montréal initieert hij een drietal coproducties tussen de [[NOS|Nederlandse Omroep Stichting]] (NOS) en de NFB: ''[[Zijn we niet rijk geworden hier?]]'' (1978) over Nederlandse emigranten in Canada, ''[[De bevrijding van Nederland]]'' (1980) over de bevrijding van Nederland, en ''[[Co Hoedeman, animator]]'' (1980), over de persoon en het werk van deze animatiefilmer van Nederlandse komaf die in 1978 een Oscar had gewonnen met ''[[Het zandkasteel (animatie)|Sand castle]]''.


Na zijn verblijf in New York voor de opening van de Mondriaan-tentoonstelling en het symposium over de kunstenaar in oktober 1972 had Crama al een kort bezoek aan de National Film Board of Canada (NFB) gebracht. In 1974 verbleef hij door een fellowship van de Canada Council een jaar in Montreal met zijn gezin. Zoals Crama De Nieuwe Linie in 1976 liet weten, had hij in Canada de documentaire herontdekt: ‘Ik wil nu, naast mijn films over kunst en kunstenaars, dokumentaires maken over mensen zoals ze in het leven reilen en zeilen.’ Zijn eerste project was een documentaire over de levensverhalen van Nederlandse emigranten in Canada. In 1977 kon hij met draaien beginnen, dankzij [[Henk Suèr]], het hoofd documentaires van de NOS. 1980 volgden nog twee, door Crama geïnitieerde co-producties tussen de NFB en de NOS: [[From the Ashes if War]], over de Canadese rol bij de bevrijding van Nederland in 1945, en [[Co Hoedeman, animator]], over de animatiefilmer van Nederlandse komaf die in 1978 een Oscar had gewonnen met de NFB-productie [[Sand Castle]]. Vervolgens werd de co-productieformule ook in de VS beproefd, Aanleiding was de viering van de 200ste verjaardag van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en de VS. De NOS en de New Yorkse publieke zender WNET/THIRTEEN maakten de realisatie van [[De Amerikaanse droom]] (The Dutch Connection) (1982) mogelijk.  
Op 5 oktober 1975 vindt in het Haagse Congresgebouw de door Crama georganiseerde [[Dag van de Korte Film]] plaats. Met ruim tienduizend bezoekers is dit evenement een groot succes.  


Crama was ook een organisator, op 29 februari 1972 vond in het Haags Montessori Lyceum een door Crama georganiseerde culturele dag plaats, die was gewijd aan ‘De Nederlandse Korte Film’. In verschillende lokalen werden films vertoond en er was gelegenheid om met makers en deskundigen van gedachten te wisselen. Crama zag zich gesterkt in de overtuiging dat het zin had een nationaal evenement, gewijd aan de ‘korte film’, te organiseren. Nadat Crama eind 1974 van zijn studieverblijf in Canada was teruggekeerd, begon hij met de voorbereidingen voor 'de Dag van de Korte Film' die op 5 oktober 1975 in het Haagse congresgebouw met succes plaatsvond. 
Crama draagt de korte film weliswaar een uitgesproken warm hart toe, maar dat weerhoudt hem er niet van om ook lange(re) films te produceren. Zo treedt hij als producent op van de eerste lange film van [[Frans Zwartjes]], ''[[It’s me]]'' (1976), met [[Willeke van Ammelrooy]] in de hoofdrol.  
Via [[Peter Brouwer]], die hij in 1967 had geholpen met een remake op 16mm van zijn 8mm scholierenfilm over reclassering, [[Een feestdag]], leerde Crama de Haarlemse schilder, graficus en filmer [[Gerrit van Dijk]] kennen. Gedrieën maakten zij met eigen middelen [[Butterfly R.I.P. 1975]] (1972), een korte animatiefilm over een vlinder die slachtoffer wordt van de oprukkende verstedelijking en als versiering aan de wand van een flat eindigt. Op eenzelfde manier als bij de films van Gerrit van Dijk, dus zonder overheidssubsidie, produceerde Crama korte animatiefilms van [[Ronald Raaijmakers]], [[Opera Mechanica]] (1973) en [[Niek Reus]], [[Zelfportret]] (1974). De laatste was een remake op 35mm van een eerdere studentenfilm. Zo werd Crama al snel gezien als een voorvechter voor dit genre.  


Vanaf de oprichting in 1973 was Crama lid van [[Holland Animation]], maar pas in 1975 ging hij zich actief met Holland Animation bezighouden. In de vereniging waren medewerkers afkomstig uit de Toonder Studio’s, animatiefilmers van de nieuwe lichting, studenten en zelfs enthousiaste amateurs verenigd. De indruk overheerste dat Holland Animation bovenal een gezelligheidsvereniging was. Crama wilde daar verandering in brengen. In november 1975 werd hij tot voorzitter van de vereniging gekozen en bleef dat twee jaar lang. Op zijn program stond een actievere aanpak van de behartiging van ‘de creatieve (en indirekt ook de materiële) belangen van de leden’, onder meer door erkend partner te worden in het overleg met de overheid en de andere beroepsorganisaties.
===Samenwerking Peter Brouwer, Gerrit van Dijk en Paul Driessen===
Vanaf 1982 werd een groot deel van de animatiefilms, waar Crama bij betrokken was, geproduceerd via de Stichting Holland Animation. De stichting was opgericht naar aanleiding van discussies binnen de Vereniging Holland Animation over de toekomst van de animatiefilm in ons land. Het was de bedoeling om met stichting Crama een solide basis te verschaffen voor de productie en distributie van niet-commerciële animatiefilms. Namens de vereniging werden twee leden benoemd in het bestuur van de stichting en in de doelstellingen stond uitdrukkelijk vermeld: ‘het steunen van de Vereniging Holland Animation bij de uitvoering van haar activiteiten’. Crama werd als directeur aangesteld. Hij trad in die hoedanigheid tevens op als uitvoerend producent en distributeur.  
Via [[Peter Brouwer]], die hij in 1967 heeft geholpen met een remake op 16mm van zijn 8mm scholierenfilm over reclassering, ''[[Een feestdag]]'', leert Crama de Haarlemse schilder, graficus en filmer [[Gerrit van Dijk]] kennen. Gedrieën maken zij met eigen middelen ''[[Butterfly R.I.P. 1975]]'' (1972). Crama produceert nog twee andere films van Van Dijk, ''[[CubeMENcube]]'' (1975) en ''[[Sportflesh]]'' (1976), gevolgd door films van de animatiefilmers [[Ronald Raaijmakers]] en [[Niek Reus]]. Een bijzondere relatie bouwt hij op met [[Paul Driessen]], die hij tijdens zijn verblijf in Montréal heeft leren kennen. Beginnende met ''[[Ei om zeep]]'' (1977) produceert Crama ruim twintig jaar lang de films van Driessen. Vele daarvan worden internationaal bekroond. Zo wordt Crama al snel gezien als een voorvechter van de animatiefilm.


Tot en met december 1997, toen de stichting 15 jaar actief was, waren er 29 titels van 17 verschillende filmmakers gedistribueerd in Nederland en 29 andere landen. Aan het eind van 2001, vlak voor de overgang naar de euro, had de stichting een half miljoen gulden omgezet in de distributie van korte animatiefilms. Daarmee kon de animatiefilm de vergelijking met de ‘export’ van andere Nederlandse filmgenres (documentaires en speelfilms) met glans doorstaan.Na twintig jaar werd de Stichting Holland Animation op 31 december 2002 officieel ontbonden.
===Animatiefilms===
Vanaf de oprichting in 1973 is Crama lid van de [[Vereniging Holland Animation]]. In november 1975 wordt hij tot voorzitter van deze vereniging gekozen, en dat blijft hij dat twee jaar lang. Op zijn programma staat een actieve aanpak van de behartiging van ‘de creatieve (en indirekt ook de materiële) belangen van de leden’, onder meer door erkend partner te worden in het overleg met de overheid en de andere beroepsorganisaties.  


Filmcriticus Hans Beerekamp heeft Crama eens gekarakteriseerd als de ‘éminence grise van de Nederlandse animatiefilm’. Ook is de kwalificatie van godfather gevallen, bijvoorbeeld toen de verhoudingen tussen Crama en de Vereniging Holland Animation op een dieptepunt waren beland.
Ook na zijn vertrek als voorzitter blijft Crama zich inzetten voor de vereniging. Zo is hij de initiatiefnemer van de manifestatie [[Tien Jaar Holland Animation]] in het kader van Filmweek Arnhem 1983 en de internationale overzichtstentoonstelling ''Beeld voor Beeld'' die gelijktijdig in het Gemeentemuseum Arnhem te zien is. In 1985 maakt hij onder [[Beeld voor beeld|dezelfde titel]] voor de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) een documentaire over de geschiedenis van de animatiefilm in Nederland.
De opvattingen van Crama over wat filmproductie inhoudt, passen eigenlijk niet in de Nederlandse traditie. Welbeschouwd is hij een producent in de betekenis die John Grierson aan deze functie gaf: een organisator van creativiteit die tussen filmmaker, overheid en samenleving staat.  


In 2004 is een overzicht van het werk van Nico Crama gepresenteerd tijdens het Nederlands Filmfestival. Bij dit programma is een boek verschenen met een beschouwing van het werk van Crama door Bert Hogenkamp en een volledige filmografie.  
Ook treedt Crama op als producent en distributeur van talloze animatiefilmers via de inmiddels door hem in het leven geroepen Stichting Holland Animation (1982-2002).  Naast Paul Driessen zijn dat onder andere [[Børge Ring]], [[Ronald Bijlsma]], [[Evert de Beijer]], [[Petra Dolleman]], [[Mark Reijnders]], [[Raf Croonen]], [[Tali Farchi]], [[Ellen Meske]], [[Niek Reus]] en [[Hans Nassenstein]]. In 1995 stelt hij zijn ervaringen op schrift in het boekje ''Korte Animatiefilms: Adviezen voor produktie en distributie''.


=== Prijzen en onderscheidingen===
Naast zijn bemoeiingen met animatiefilms houdt Crama zich van tijd tot tijd bezig met de regie, maar voornamelijk productie van live action films, zoals de Nederlands/Amerikaanse coproductie ''[[De Amerikaanse droom|De Amerikaanse droom/The Dutch Connection]]'' (1982), geregisseerd door [[George Sluizer]]. Een ander voorbeeld van een internationale coproductie is ''[[The Boulevard of Broken Dreams]]'' (1987) van [[Derek May]] en [[Albert van der Wildt]], over de Canadese tournee van dit succesvolle reizend theaterfestival.


Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1994).
Op 3 september 2017 geeft Crama een lezing bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid met als titel 'De Nederlandse animatiefilm vóór het digitale tijdperk'. Klik [https://wiki.beeldengeluid.nl/index.php/Animatiefilm_voor_het_digitale_tijdperk hier] voor de presentatietekst.


Erelid Nederlandse Beroepsvereniging van Film- en Televisiemakers NBF uitgereikt ‘op grond van zijn bijzondere verdiensten voor de Nederlandse film’. (1996)
===Nalatenschap===
In 1998 produceert Nico Crama zijn laatste films. Daarna houdt hij zich vooral bezig met het veiligstellen van zijn audiovisuele collectie bij het [http://www.beeldengeluid.nl Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid] en zijn papieren archief bij [http://www.eyefilm.nl EYE Film Instituut Nederland].  


De Chapeau!, de speciale prijs van de Vereniging Holland Animation, overhandigd op het Holland Animation Film Festival 1996
In 2004 wijdt het [[Nederlands Film Festival]] een retrospectief aan zijn oeuvre, waarbij ook een monografie, ''Nico Crama: filmmaker'' van de hand van mediahistoricus Bert Hogenkamp over hem en zijn werk verschijnt. De afgelopen jaren is Crama bezig geweest met de heruitgave van films op DVD, zoals ''Piet Mondriaan: een filmessay'', ''De Nederlandse films van Paul Driessen 1970-2004'' (2004) en ''De vroege films van Paul Verhoeven 1959-1979'' (2006; waaronder ''[[De worstelaar]]'', geproduceerd door Crama), alsmede ''Scholierenfilms Haags Montessori Lyceum 1959-1973'' (2009), met ''[[De mooiste tijd...]]'' als extra.
 
===Prijzen en onderscheidingen===
* Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1994)
* Erelid Nederlandse Beroepsvereniging van Film- en Televisiemakers [[NBF]] uitgereikt ‘op grond van zijn bijzondere verdiensten voor de Nederlandse film’ (1996)
* De Chapeau!, de speciale prijs van de Vereniging Holland Animation, overhandigd op het Holland Animation Film Festival 1996


[[category:personen|Crama, Nico]]
[[category:personen|Crama, Nico]]
[[category:filmmaker|Crama, Nico]]
[[category:producent|Crama, Nico]]
[[category:regisseur|Crama, Nico]]

Huidige versie van 20 okt 2018 om 15:38

Nico Crama, Scheveningen, 17 mei 1991
Foto: Maarten Hin (1944-2002)

Nico Crama heeft als producent, regisseur en scenarioschrijver (mee)gewerkt aan meer dan tachtig, merendeels korte, films in Nederland, Canada en de Verenigde Staten. Vanaf 1958 werkt hij als filmmaker, onder andere voor de Nederlandse Onderwijs Film, en als onafhankelijk producent. Vanaf het begin van de jaren zeventig speelt hij een belangrijke rol bij de professionalisering van de Nederlandse animatiefilm en hij zet deze internationaal op de kaart.

Jeugd en eerste aanraking met film

De Crama’s stammen af van Hugenoten die in de zeventiende eeuw via België naar Leiden zijn gekomen. Nico Crama komt uit een middenstandsmilieu: zijn grootvader heeft een slagerij en zijn vader is rijwielhandelaar. Hij komt niet verder dan de derde klas op het gymnasium maar behaalt wel zijn MULO-diploma. Als scholier raakt hij besmet met het filmvirus. Met een 8mm-camera begint hij zelf films op te nemen. Bij de Leidse Smalfilm Liga maakt hij kennis met toonaangevende amateurfilmers als Emile Timan, Joop Pieëte en Herman Kleibrink, die hem met raad en daad terzijde staan. In hun films gaat het om beeldcompositie, montage, spel van licht en donker, ‘filmrijm’. Deze elementen zijn ook terug te vinden in Impressions de Paris, de film die Crama met zijn Kodak 8mm-camera – ook bekend als het ‘roggebroodje’ – in 1953-54 in en over Parijs maakt.

Crama wil van filmen zijn beroep maken. Omdat er nog geen filmopleiding in Nederland is, volgt hij met een Unesco-beurs als toehoorder lessen aan de filmschool IDHEC in Parijs. Via een Nederlandse vertegenwoordiger bij de Unesco komt hij bij de Stichting Nederlandse Onderwijs Film (NOF) terecht, die geleid wordt door de filmtheoreticus Dr. J.M.L. Peters. Wegens bezuinigingen kan Crama niet bij de NOF blijven werken en gaat hij in december 1955 als filmlaborant aan het werk bij Triofilm in Amsterdam. Dit productiebedrijf en laboratorium wordt geleid door de ervaren cameraman Jo de Haas en diens zwager Theo Cornelissen. Crama doet er de nodige kennis over laboratoriumtechnieken op.

Na een jaar bij Triofilm keert Crama terug naar de NOF, als assistent-montage. Er ontstaat een nauwe band tussen hem en zijn NOF-collega’s Kees van Langeraad (scenario, regie), Rupert van der Linden (illustratie en trucage), Wim van Beelen (rostrum-camera) en Sipko Scholten (grafisch ontwerp). Een van de films die Crama voor het onderwijs ‘bewerkt’, is Mangrove, een documentaire die de Nederlandse bioloog/cineast Peter Creutzberg in 1954 in Sierra Leone heeft opgenomen. Crama schrijft ook het bijbehorende instructieboekje voor de onderwijskrachten die deze film in de klas gebruiken.

Filmen en les geven

In 1959 maakt hij Zwavelzuur, een film over scheikunde, die deels in het Haags Montessori Lyceum wordt opgenomen. Hier wisselen Crama en Jan Koning, de rector van het lyceum, van gedachten over het belang van filmvorming. Koning nodigt hem uit les te komen geven op het Montessori Lyceum. Crama verzorgt niet alleen lessen over het wezen van de film en de geschiedenis ervan, maar stelt de leerlingen ook in de gelegenheid om ter afsluiting van de lessen gezamenlijk een film te maken. Deze nieuwe onderwijsvorm trekt al spoedig de aandacht van de media. Zo wijdt het AVRO televisie-jeugdprogramma Rooster in april 1963 een aflevering aan de filmactiviteiten op dit lyceum. Op meerdere manieren brengt Crama het filmwerk van de scholieren onder de aandacht. Als in oktober 1960 in de befaamde Amsterdamse studentenbioscoop Kriterion het eerste Cinestud filmfestival wordt gehouden, weet Crama het voor elkaar te krijgen dat naast studentenfilms ook aandacht wordt besteed aan films van middelbare scholieren.

Vanaf 1961 werkt Crama als onafhankelijk regisseur en producent, maar het lesgeven aan het Haags Montessori Lyceum en later aan het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest houdt hij tot begin jaren zeventig aan. Zijn eerste eigen productie Netsuke gaat over de Japanse gordelknopen in de collectie van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. Vervolgens maakt hij met subsidie van het Ministerie van OK&W De mooiste tijd…, een docudrama op bioscoopformaat over de leefwereld van middelbare scholieren.

Producent en filmmaker

Na een aantal films te hebben gemaakt, waaronder de korte speelfilm Het oponthoud (1969) naar een scenario van Hubert Lampo, en de productie van enkele animatiefilms en TV-spots met voormalig NOF-collega Rupert van der Linden, ontwikkelt Crama zich aan het einde van de jaren zestig tot een producent die andere filmmakers helpt bij het realiseren van korte, kunstzinnige films met gelden van het Ministerie van CRM. Regisseurs als Ruud van Hemert (Flinkevleugel, 1969), Jan Oonk (De stuiter, 1971) en Paul Verhoeven (De worstelaar, 1971) maken dankbaar gebruik van Crama’s diensten.

Voor het Haags Gemeentemuseum maakt Crama een reeks van korte films. In Fotoportret (1970) wordt de geschiedenis van de portretfotografie behandeld. De volgende film, Daumier, verslaggever van zijn tijd (1971), over de negentiende-eeuwse Franse cartoonist, is zo’n succes dat er een Engelse en Franse taalversie van gemaakt worden. Voor Piet Mondriaan: een filmessay (1973) krijgt Crama na veel soebatten financiële steun van de ministeries van CRM en Buitenlandse Zaken. De film, die in achttien minuten de ontwikkeling van Mondriaan van naturalistisch tot abstract schilder laat zien, wordt internationaal met vele prijzen bekroond.

Een jaar in Montréal

In 1974 brengt Crama met zijn gezin een jaar in Montréal door dankzij een fellowship van de Canadese regering. Hij ervaart uit eerste hand hoe de National Film Board of Canada (NFB) werkt. Daarbij raakt hij met name onder de indruk van de productionele en creatieve mogelijkheden binnen dit staatsfilmbedrijf. Enkele jaren na zijn verblijf in Montréal initieert hij een drietal coproducties tussen de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) en de NFB: Zijn we niet rijk geworden hier? (1978) over Nederlandse emigranten in Canada, De bevrijding van Nederland (1980) over de bevrijding van Nederland, en Co Hoedeman, animator (1980), over de persoon en het werk van deze animatiefilmer van Nederlandse komaf die in 1978 een Oscar had gewonnen met Sand castle.

Op 5 oktober 1975 vindt in het Haagse Congresgebouw de door Crama georganiseerde Dag van de Korte Film plaats. Met ruim tienduizend bezoekers is dit evenement een groot succes.

Crama draagt de korte film weliswaar een uitgesproken warm hart toe, maar dat weerhoudt hem er niet van om ook lange(re) films te produceren. Zo treedt hij als producent op van de eerste lange film van Frans Zwartjes, It’s me (1976), met Willeke van Ammelrooy in de hoofdrol.

Samenwerking Peter Brouwer, Gerrit van Dijk en Paul Driessen

Via Peter Brouwer, die hij in 1967 heeft geholpen met een remake op 16mm van zijn 8mm scholierenfilm over reclassering, Een feestdag, leert Crama de Haarlemse schilder, graficus en filmer Gerrit van Dijk kennen. Gedrieën maken zij met eigen middelen Butterfly R.I.P. 1975 (1972). Crama produceert nog twee andere films van Van Dijk, CubeMENcube (1975) en Sportflesh (1976), gevolgd door films van de animatiefilmers Ronald Raaijmakers en Niek Reus. Een bijzondere relatie bouwt hij op met Paul Driessen, die hij tijdens zijn verblijf in Montréal heeft leren kennen. Beginnende met Ei om zeep (1977) produceert Crama ruim twintig jaar lang de films van Driessen. Vele daarvan worden internationaal bekroond. Zo wordt Crama al snel gezien als een voorvechter van de animatiefilm.

Animatiefilms

Vanaf de oprichting in 1973 is Crama lid van de Vereniging Holland Animation. In november 1975 wordt hij tot voorzitter van deze vereniging gekozen, en dat blijft hij dat twee jaar lang. Op zijn programma staat een actieve aanpak van de behartiging van ‘de creatieve (en indirekt ook de materiële) belangen van de leden’, onder meer door erkend partner te worden in het overleg met de overheid en de andere beroepsorganisaties.

Ook na zijn vertrek als voorzitter blijft Crama zich inzetten voor de vereniging. Zo is hij de initiatiefnemer van de manifestatie Tien Jaar Holland Animation in het kader van Filmweek Arnhem 1983 en de internationale overzichtstentoonstelling Beeld voor Beeld die gelijktijdig in het Gemeentemuseum Arnhem te zien is. In 1985 maakt hij onder dezelfde titel voor de Nederlandse Omroep Stichting (NOS) een documentaire over de geschiedenis van de animatiefilm in Nederland.

Ook treedt Crama op als producent en distributeur van talloze animatiefilmers via de inmiddels door hem in het leven geroepen Stichting Holland Animation (1982-2002). Naast Paul Driessen zijn dat onder andere Børge Ring, Ronald Bijlsma, Evert de Beijer, Petra Dolleman, Mark Reijnders, Raf Croonen, Tali Farchi, Ellen Meske, Niek Reus en Hans Nassenstein. In 1995 stelt hij zijn ervaringen op schrift in het boekje Korte Animatiefilms: Adviezen voor produktie en distributie.

Naast zijn bemoeiingen met animatiefilms houdt Crama zich van tijd tot tijd bezig met de regie, maar voornamelijk productie van live action films, zoals de Nederlands/Amerikaanse coproductie De Amerikaanse droom/The Dutch Connection (1982), geregisseerd door George Sluizer. Een ander voorbeeld van een internationale coproductie is The Boulevard of Broken Dreams (1987) van Derek May en Albert van der Wildt, over de Canadese tournee van dit succesvolle reizend theaterfestival.

Op 3 september 2017 geeft Crama een lezing bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid met als titel 'De Nederlandse animatiefilm vóór het digitale tijdperk'. Klik hier voor de presentatietekst.

Nalatenschap

In 1998 produceert Nico Crama zijn laatste films. Daarna houdt hij zich vooral bezig met het veiligstellen van zijn audiovisuele collectie bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en zijn papieren archief bij EYE Film Instituut Nederland.

In 2004 wijdt het Nederlands Film Festival een retrospectief aan zijn oeuvre, waarbij ook een monografie, Nico Crama: filmmaker van de hand van mediahistoricus Bert Hogenkamp over hem en zijn werk verschijnt. De afgelopen jaren is Crama bezig geweest met de heruitgave van films op DVD, zoals Piet Mondriaan: een filmessay, De Nederlandse films van Paul Driessen 1970-2004 (2004) en De vroege films van Paul Verhoeven 1959-1979 (2006; waaronder De worstelaar, geproduceerd door Crama), alsmede Scholierenfilms Haags Montessori Lyceum 1959-1973 (2009), met De mooiste tijd... als extra.

Prijzen en onderscheidingen

  • Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1994)
  • Erelid Nederlandse Beroepsvereniging van Film- en Televisiemakers NBF uitgereikt ‘op grond van zijn bijzondere verdiensten voor de Nederlandse film’ (1996)
  • De Chapeau!, de speciale prijs van de Vereniging Holland Animation, overhandigd op het Holland Animation Film Festival 1996